De voorzitter opent de zitting op 17/12/2025 om 19:00.
Er worden geen opmerkingen gemaakt over het verslag van de vorige zitting. De notulen worden als goedgekeurd beschouwd.
Gelet op de samenwerkingsovereenkomst 2026-2031 tussen OCMW Spiere-Helkijn en vzw Poerderie waarbinnen de dienst van algemeen economisch belang kadert;
Gelet op de wens van de gemeente om klusjes, tuinonderhoud en vervoer van materiaal voor mensen met verminderde zelfredzaamheid te laten vervullen door de Dienst van Algemeen Economisch Belang;
Gelet op voorafgaande relevante beslissingen van de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen over de dienst van algemeen economisch belang;
Gelet op het Regionaal Kader “Aanvullend Lokaal Dienstenaanbod” dat inspeelt op noden die niet door de markt worden opgevangen. Waarbij W13 inzet op een toegankelijk aanbod voor de meest kwetsbaren in onze regio. De invulling van deze dienstverlening kan lokaal verschillen, en toch werden regionale principes afgesproken over wie gebruik kan maken van de dienstverlening, en hoeveel deze diensten kosten. Dit draagt bij aan kwaliteitsvolle dienstverlening én een optimale begeleiding van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt;
Gelet op het Besluit 2012/21/EU van de Europese Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen;
Gelet op de betreffende artikelen van het Decreet lokaal bestuur van 22/12/2017;
Artikel 1.
De gemeente Spiere-Helkijn belast VZW Poerderie met de hierna omschreven dienst van algemeen economisch belang op haar grondgebied van 1/1/25 tot en met 31/12/31;
Artikel 2.
Omschrijving dienst van algemeen economisch belang: dienstverlening/takenpakket
De dienstverlening is ontegensprekelijk economisch van aard. Er worden diensten geleverd aan mensen en dit tegen betaling van een vergoeding. Het algemeen belang wordt enerzijds verantwoord vanuit de aandacht die het lokaal bestuur geeft aan deze dienstverlening, het feit dat de diensten geleverd worden bij mensen thuis en de finale begunstigden dus de burgers zijn. Het overheidsoptreden zorgt enerzijds voor beschikbaarheid – creatie van een aanbod waar de markt faalt – en remedieert anderzijds op het niveau van betaalbaarheid (Kansentarief, Klantentarief & Zorgtarief) en algemene toegankelijkheid van de dienstverlening (voor geattesteerde afnemers). Door deze expliciet te richten op mensen die zelf niet in staat zijn omwille van medische, mentale, psychologische redenen of handicap, dan wel onvoldoende bemiddeld zijn om deze dienstverlening tegen tarieven van de markt in te kopen. Het blijft van belang om de uitvoering van de onderhavige maatschappelijke opdracht verder te koppelen aan het creëren van tewerkstellingskansen voor mensen met een beperkte afstand tot de arbeidsmarkt.
De samenwerking met een Sociale Tewerkstellingsonderneming (STO) vereist dat de dienstverlening niet economisch is (quod non) of gefinancierd wordt als een Dienst van Algemeen Economisch Belang conform de bepalingen van het Besluit 2012/21/EU van de Europese Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen, om de vergoedingen in dit kader te conformeren aan de regels van staatssteun;
Tot vaststelling van een Dienst van Algemeen Economisch Belang globaal benoemd als “Klusjes, verhuis en vervoer van materialen”, omvattende:
Het ontwikkelen van een aanbod aan:
• Klussen die deel uitmaken van het alledaags onderhoud van en rond de woning bij mensen die zelf niet in staat zijn om deze te (laten) uitvoeren omwille van – door het opdracht gevend bestuur geattesteerde – medische, mentale, psychologische reden of handicap en/of omwille van financiële redenen voor deze klussen niet op de markt terecht kunnen (gerechtigd op gecompenseerd tarief), of door de markt niet uitgevoerd worden.
• Verhuis- en vervoersdienst die in staat voor verhuisopdrachten en vervoer van materialen voor mensen die niet in staat zijn deze zelf uit te (laten) voeren omwille van medische, mentale, psychologische reden of handicap – zoals geattesteerd door het opdracht gevend bestuur – en/of omwille van financiële redenen hiervoor niet op de markt terecht kunnen (c.q. gerechtigd op sociaal tarief). Waarbij:
o Verhuizen zijn beperkt tot verhuizen met minstens één adres op het grondgebied van gemeente … (adres waar men vertrekt of adres waar men aankomt) en worden uitgevoerd conform het verhuisreglement.
o De vervoersopdrachten beperkt zijn tot materiaal (geen mensen, noch dieren, geen gevaarlijke stoffen of bederfbare waren).
Artikel 3.
De doelgroepen worden als volgt omschreven:
• Kansentarief
Om onder deze gecompenseerde groep gebruik te maken van aanvullende lokale diensten, wordt gekeken naar het inkomen van de persoon.
o Inkomensvoorwaarde: inkomen onder het referentiebudget. Dit kan bepaald worden door een financieel onderzoek of een sociaal verslag.
o Aandeel cliënt – aandeel lokaal bestuur (particulier tarief): 20% aandeel cliënt met een minimum van 10 euro en 80 % aandeel lokaal bestuur. Deze groep geniet wel een vrijstelling van de BTW.
• Klantentarief
Om onder deze gecompenseerde groep gebruik te maken van aanvullende lokale diensten, wordt gekeken naar het recht op verhoogde tegemoetkoming.
o Inkomensvoorwaarde: recht hebben op verhoogde tegemoetkoming.
o Aandeel cliënt – aandeel lokaal bestuur (particulier tarief): 50% aandeel cliënt en 50% aandeel lokaal bestuur. Deze groep geniet wel een vrijstelling van de BTW.
• Zorgtarief
Deze categorie is er voor mensen die een inkomen hebben boven het referentiebudget en geen recht hebben op verhoogde tegemoetkoming maar die toch een zorgvraag hebben waar aanvullende dienstverlening een antwoord kan op bieden. De inschatting naar de zorgnood wordt gemaakt door het sociaal huis of door de thuiszorgdienst/zorgbedrijf.
o Deze voorwaarden kunnen zijn (niet-limitatief):
o Leeftijdsvoorwaarden
o Fysische of psychische redenen, met of zonder de combinatie van leeftijdsvoorwaarden
o Het niet beschikken over een netwerk.
o …
o Aandeel cliënt – aandeel lokaal bestuur: 100% aandeel cliënt en 0% aandeel lokaal bestuur. Bij deze groep staat de klant zelf in voor het betalen van de factuur. Deze groep geniet wel een vrijstelling van de BTW.
Het lokaal bestuur staat dus in voor de screening van de klant maar deze groep kent daarnaast geen budgettaire impact voor het lokaal bestuur.
• Regulier tarief
Aandeel cliënt – aandeel lokaal bestuur (particulier tarief): 100% aandeel cliënt en 0% aandeel lokaal bestuur.
Deze groep wordt bediend zoals op de reguliere markt. Rond deze klantgegevens wordt niet gecommuniceerd. Dit volume kan worden aangewend als buffer om de tewerkstelling binnen Individueel Maatwerk (IMW) te garanderen. Tevens zijn dit goede oefenwerkvloeren om de aansluiting met de reguliere arbeidsmarkt te kunnen overbruggen. Deze groep kent geen budgettaire impact voor het lokaal bestuur.
Overwegende dat de loutere vaststelling van een Dienst van Algemeen Economisch Belang enkel de mogelijkheid creëert met een Sociale Tewerkstellingsonderneming samen te werken, zonder enige voorafname betreffende de toewijzing van de opdracht;
Artikel 4.
De gemeente kent geen uitsluitende of bijzondere rechten toe aan vzw De Poerderie;
Artikel 5.
De gemeente voorziet in een financiering:
Het aandeel van de cliënten en het lokaal bestuur werd al opgenomen in de omschrijving van de doelgroepen hierboven. Binnen het regionaal kader werden enkele principes opgenomen die het uurtarief en/of particulier tarief bepaalt (all-in standaardprijs).
Prijsopbouw standaardprijs/uurtarief
De all-in standaardprijs wordt opgebouwd uit volgende items: Totaal bruto jaarkost, overheadkost werkbegeleider en gekwalificeerde begeleider, planning en administratie, werkmateriaal (exclusief verbruiksgoederen), verplaatsingskosten. Bij de opbouw van de prijs werd de premie Individueel Maatwerk (loonpremie en begeleidingspremie) in mindering gebracht.
Indexering
We kiezen voor transparant prijsbeleid. Om het werkbaar te houden voor alle partijen koppelen we de prijs aan de spilindex en zal deze maximum 1 maal per jaar worden herrekend. Bij het berekenen van deze nieuwe prijs wordt telkens afgerond op 0,5 na de komma. De indexering geldt voor beide partijen, zowel voor de klant als voor het lokaal bestuur.
Afval
Vanuit een duurzaamheidsprincipe kiezen we ervoor dat de vervuiler betaalt. Als er extra kosten worden gemaakt voor het verwijderen van afval, zijn deze ten laste van de klant. Dit wil bijvoorbeeld zeggen dat wanneer er naar het recyclagepark wordt gegaan, de nodige werkuren aangerekend worden aan de klant, alsook de verwerkingskosten voor het desbetreffende afval.
Verplaatsingstijd
De verplaatsingstijd is ingerekend is in de standaardprijs (zie hoger). Er worden hiervoor dus geen extra kosten aangerekend De werktijd begint te lopen bij aankomst op de locatie van de opdracht.
Aantal gepresteerde uren
Het bestuur kiest ervoor om het aanbod naar de doelgroep af te bakenen in het aantal te presteren uren. Op die manier bewaken we een realistische inschatting van de budgetten. Daarnaast kunnen geen grote werken worden uitgevoerd waarin het lokaal bestuur een te significant deel op zich dreigt te nemen.
Het maximumaantal gepresteerde uren is 25u per klant per jaar. Wanneer er meer uren worden gerealiseerd, vallen deze overschrijdende uren binnen het zorg- of regulier tarief (te bepalen!). Uitzonderingen of afwijken op deze beperking zijn een keuze van het lokale bestuur zelf of kunnen via het bijzonder comité voor de sociale dienst worden bekeken. Communicatie tussen klant en uitvoerder is hierin essentieel.
Onderstaande tabel is de vertaling van de verschillende tarieven per doelgroep.
|
|
Klant |
Lokaal bestuur |
Totaal |
| Kansentarief: 20% (minimum 10 euro)-80% |
€ 10 |
€ 32 |
€ 42 |
| Klantentarief: 50%-50% |
€ 21 |
€ 21 |
€ 42 |
| Zorgtarief: 100%-0% |
€ 42 |
€ 0 |
€ 42 |
| Regulier tarief: 100% + BTW |
€ 50,82 |
€ 0 |
€ 42 + BTW |
De financiering van de dienstverlening gebeurt met toepassing van Besluit 2012/21/EU van de EU Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.
Artikel 6.
De gemeente voert jaarlijks controles uit op de compensatieregeling. In het geval van een eventuele overcompensatie, vordert de gemeente het overschot terug.
Artikel 7.
Indien vzw De Poerderie ook activiteiten verricht die buiten de dienst van algemeen economisch belang vallen, is zij verplicht een gescheiden boekhouding bij te houden.
Artikel 8.
De verdere modaliteiten zullen worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. De samenwerkingsovereenkomst 2026-2031 tussen OCMW Spiere-Helkijn en vzw Poerderie waarbinnen de dienst van algemeen economisch belang kadert, wordt bevestigd en tevens goedgekeurd door de gemeenteraad.
Gezien het feit dat lokaal bestuur Spiere-Helkijn zal starten met het Decreet buitenschoolse opvang en activiteiten op 01/01/2026 waarmee het lokaal bestuur aangeeft een volledig uitgetekend BOA-beleid te hebben tegen 01/01/2026;
De Vlaamse Regering pleit voor maximale kwaliteit van het gehele BOA-aanbod. De lokale besturen staan als regisseur in voor de erkenning en handhaving van het lokaal opvangaanbod, binnen een Vlaams kwaliteitskader.
Het lokaal bestuur erkent opvangaanbod via een eigen erkenningskader. Dit kader wordt opgemaakt in afstemming met het lokaal samenwerkingsverband BOA. Het lokaal erkenningskader is verplicht van zodra het lokaal bestuur instapt in de definitieve regeling van het decreet.
Gelet op het BOA-overleg van het samenwerkingsverband op 19/11/2025 om advies uit te brengen n.a.v. de opstart van het BOA-decreet op 01/01/2026 omtrent de definitieve samenstelling van het samenwerkingsverband, op te nemen beleidsacties in het meerjarenplan 2026-2031, omtrent het erkenningskader en omtrent het financieel kader;
Overwegende dat Spiere-Helkijn als kleine gemeente momenteel 3 spelers heeft die actief zijn rond buitenschoolse opvang en activiteiten, zijnde, GO! kleuter- en basisschool De Polyglot, gemeentebestuur Spiere-Helkijn, OCMW Spiere-Helkijn;
Gelet op het voorliggende erkenningskader dat minstens uitspraak doet over de verwachtingen in zes kerngebieden en daarbij rekening houdt met de Vlaams opgelegde minimale voorwaarden;
Gelet op het voorliggende financieel kader waarin beschreven staat hoe het lokaal bestuur het lokaal aanbod zal financieren: Het lokaal bestuur zet de BOA-subsidie specifiek in voor de realisatie van voldoende aanbod buitenschoolse opvang en de afstemming met activiteiten.
Het gaat over het geheel van formeel georganiseerde activiteiten voor kinderen die naar de basisschool gaan, namelijk de buitenschoolse opvang én alle activiteiten van het jeugdwerk, van sportverenigingen, van cultuurverenigingen en van andere erkende organisatoren buiten de schooluren voor zover die aansluiten bij het lokale BOA-beleid en de doelstellingen van het decreet.
Minstens 75% van de BOA-subsidie moet gaan naar de realisatie van het erkend aanbod buitenschoolse opvang en activiteiten. Daarbij besteedt het lokaal bestuur minstens 33% van de subsidie aan erkend aanbod buitenschoolse opvang en activiteiten voor kleuters. Dit aanbod hoeft niet exclusief voor kleuters te zijn, maar moet wel steeds aangepast zijn aan de behoeften van kleuters.
De rapportering verloopt via de beleids- en beheerscyclus, via de twee bestaande rapporteringscodes;
Gelet op het BOA decreet houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten van 03/05/2019;
Gelet op het uitvoeringsbesluit m.b.t. BOA BVR van 28/02/2025;
Gelet op het wijzigingsdecreet m.b.t. BOA van de Vlaamse Regering van 21/11/2025;
Gelet op de betreffende artikelen van het Decreet lokaal bestuur van 22/12/2017;
Artikel 1
Om het lokaal samenwerkingsverband BOA te erkennen met vertegenwoordigers van de 3 spelers die in Spiere-Helkijn actief zijn rond buitenschoolse opvang en activiteiten, zijnde, GO! kleuter- en basisschool De Polyglot (schooldirectie Marijke Desmet), gemeentebestuur Spiere-Helkijn (burgemeester Mathias Goos, algemeen directeur Wout Lefebvre, financieel directeur Tim Focquaert, jeugddienst Jill Bogaert), OCMW Spiere-Helkijn (sociale dienst Stephanie Vandenabeele);
Artikel 2
Om goedkeuring te verlenen aan het voorliggende erkenningskader dat minstens uitspraak doet over de verwachtingen in zes kerngebieden en daarbij rekening houdt met de Vlaams opgelegde minimale voorwaarden;
Artikel 3
Om goedkeuring te verlenen aan het voorliggende financieel kader waarin beschreven staat hoe het lokaal bestuur het lokaal aanbod zal financieren.
Gemeente en OCMW krijgen elk middelen voor een nieuwe koopkrachtmaatregel voor het personeel in de klassieke VIA-sectoren. De gemeente krijgt jaarlijks om en bij 340 EUR, het OCMW ongeveer 290 EUR. Voor 31/01/26 moet een protocolakkoord worden afgesloten met minstens 1 vakbond.
Gezien de mogelijkheid om een officiële geschenkcheque van 40 EUR aan te bieden aan alle personeel als Nieuwjaarsgeschenk;
Gelet op het besluit van 21/10/2025 van het CBS en van het Vast Bureau om te opteren voor een jaarlijkse officiële geschenkcheque van 40 EUR als Nieuwjaarsgeschenk voor alle personeel;
Gelet op het Protocol van 04/11/2025 met de vakbonden om in de maand januari jaarlijks een officiële geschenkcheque van 40 EUR aan te bieden aan alle personeel als Nieuwjaarsgeschenk vanaf 2026;
Gelet op:
Artikel 1
De mogelijkheid om een officiële geschenkcheque van 40 EUR aan te bieden aan alle personeel als Nieuwjaarsgeschenk wordt toegevoegd aan de plaatselijke rechtspositieregeling met ingang van 01/01/2026.
Gelet op de vraag vanwege politiezone Mira om de gemeentelijke bijdrage van Spiere-Helkijn naar de zone voor het jaar 2026 vast te leggen op 246.287,00 EUR + een investeringstoelage 2026 van 12.465,50 EUR;
Gezien het belang van een goed werkende politiedienst voor het handhaven van de openbare orde op het grondgebied van de gemeente Spiere-Helkijn;
Gelet op de bespreking ter zake;
Gelet op Artikel 71 van de wet van 7 december 1998 en latere wijzigingen tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus houdende het administratief toezicht op de besluiten van de gemeenteraad betreffende de begroting, de begrotingswijziging en de bijdragen aan de politiezone; dat wanneer de meergemeentezone niet over voldoende middelen beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van haar opdracht, het verschil wordt gedragen door de gemeenten die er deel van uitmaken;
Gelet op de Wet van 7 december 1998 en latere wijzigingen tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, in het bijzonder artikel 40, derde en zesde lid, dat bepaalt dat elke gemeenteraad van de politiezone stemt over de dotatie die aan het lokaal politiekorps moet worden toegekend en die aan de politiezone wordt gestort.
Gelet op het Koninklijk besluit van 7 april 2005 en latere wijzigingen houdende de nadere regels inzake de berekening en de verdeling van de gemeentelijke dotatie in de schoot van een meergemeente politiezone;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22/12/2017 en de nog niet opgeheven bepalingen van de Nieuwe Gemeentewet;
Artikel 1
Om de gemeentelijke dotatie naar politiezone Mira voor dienstjaar 2026 vast te stellen op 246.287,00 EUR + een investeringstoelage 2026 van 12.465,50 EUR;
Artikel 2
Van dit besluit wordt melding gemaakt bij de toezichthoudende overheid voor de uitoefening van het federaal specifiek toezicht (michelle.janssens@ibz.be) en het gewestelijk gewoon toezicht aan de heer Provinciegouverneur via het Digitaal Loket
Artikel 3
Afschrift van dit besluit wordt overgemaakt aan de politiezone Mira.
Motivering
Overwegende dat voor het innen van niet-betaalde fiscale vorderingen, een retributie kan gevraagd worden;
Overwegende dat deze retributie een redelijke vergoeding is en in verhouding staat tot de werkelijke kostprijs van de verleende prestatie;
Overwegende dat het veelvuldig opstellen van dergelijke aanmaningsbrieven doorweegt op de gemeentelijke administratie;
Overwegende dat het dan ook is aangewezen om deze kosten te verhalen op diegenen die de door hen verschuldigde sommen laattijdig betalen;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Bevoegdheid
Gelet op artikel 173 van de Grondwet;
Gelet op artikel 40, § 3; 41,14° en 177, 2° van het Decreet over het Lokaal Bestuur;
Artikel 1
Er wordt een retributie geheven voor de kosten verbonden aan de invordering van fiscale vorderingen.
Artikel 2
Indien de debiteur de vordering niet betaalt binnen de wettelijke bepaalde vervaltermijn, worden de hieronder bepaalde retributies aangerekend ingeval de in die artikelen vermelde acties worden ondernomen met het oog op de invordering van de schuld.
Artikel 3 kosten tweede en derde aanmaning en aanmaning na niet-naleving van een afbetalingsplan
Indien de debiteur niet betaalt binnen de termijn voorzien in de gratis eerste aanmaning, wordt telkens een kost van 20,00€ aangerekend voor de verzending van een tweede en een derde aanmaning. Indien een debiteur een afbetalingsplan krijgt en dit vervolgens niet nakomt wordt hem een aanmaning gestuurd. Voor deze aanmaning wordt een kost van 20,00€ aangerekend.
Artikel 4 grensoverschrijden invordering
Voor de grensoverschrijdende invordering van onbetaalde fiscale vorderingen waarvoor de gemeente beroep doet op een derde, komt het bedrag van de retributie overeen met de incasso- en administratiekosten die de derde hiervoor aan de gemeente doorrekent, vermeerderd met 50,00€. De retributie is verschuldigd van zodra het dossier aan de derde wordt overgemaakt.
Artikel 5 opmaak fiscaal dwangschrift
Wanneer de debiteur niet overgaat tot betaling van de volledige schuld, kosten en intresten inbegrepen, kan de financieel directeur overgaan tot opmaak van een dwangschrift met het oog op betekening door een gerechtsdeurwaarder. Voor het aanmaken van dit dwangschrift wordt een kost van 30,00€ aangerekend.
Artikel 6 gedwongen uitvoering
Indien na betekening van een fiscaal dwangschrift de debiteur nog steeds in gebreke blijft, kan de financieel directeur volgende stappen nemen in gedwongen uitvoering en invordering. Hiervoor wordt telkens de overeenstemmende kost opgegeven. Deze kost wordt aangerekend bovenop de eventuele gerechtskosten en gerechtsdeurwaarderskosten en reële kosten die op grond van de wettelijke regelingen worden doorgerekend aan de debiteur.
1° fiscaal derdenbeslag, het beslag wordt aangetekend verzonden aan een derde, schuldenaar van de debiteur en tevens aangezegd aan de debiteur zelf: 50,00€
2° het nemen van een hypothecaire inschrijving indien de debiteur een onroerend goed bezit, hieraan gaan uitgebreide opzoekingen vooraf: de effectief betaalde kost aan het kantoor rechtszekerheid (nieuwe benaming hypotheekkantoor) wordt doorgerekend, vermeerderd met 50,00€ administratieve kosten per hypothecaire inschrijving.
3° uitvoerend beslag op onroerend goed:
- administratieve en juridische procedurevoorbereiding (per onroerend goed): 1.750,00€. Deze retributie is verschuldigd zodra de door de gemeente aangestelde deurwaarder aan de debiteur een akte houdende het ‘bevel voorafgaand aan het uitvoerend beslag op onroerend goed’ heeft betekend.
- administratieve en juridische procedurevoorbereiding aanstelling notaris: 1.250,00€. Deze retributie is verschuldigd zodra de gemeente de dagvaarding daartoe betekent.
4° procedure uit onverdeeldheid treden al dan niet in combinatie met uitvoerend onroerend beslag: ingeval er diverse mede-eigenaars samen met de debiteur zijn moet een procedure gevoerd worden om uit de onverdeeldheid te treden: 2.000,00€ van zodra de gemeente de dagvaarding daartoe aan de mede-eigenaars betekent, voor zover als gevolg daarvan de effectieve verdeling wordt opgelegd in een vonnis dat kracht van gewijsde heeft.
5° procedure tot aanstelling van een curator over een onbeheerde nalatenschap wanneer er geen gekende erfgenamen zijn, maar wel een nalatenschap van waaruit een vordering kan voldaan worden: 1.500,00€ van zodra het namens de gemeente opgemaakte verzoekschrift tot aanstelling van een curator werd neergelegd, voor zover dat verzoekschrift uitmondt in de effectieve aanstelling van een curator.
6° procedure van indeplaatsstelling (per onroerend goed): 1.000,00€. Deze retributie is verschuldigd van zodra het namens de gemeente opgemaakte verzoekschrift om in de plaats te worden gesteld werd ingediend, voor zover de gemeente effectief in de plaats wordt gesteld van de beslagleggende schuldeiser die in gebreke bleef.
Artikel 7 inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en vervangt het reglement goedgekeurd bij gemeenteraadsbeslissing dd. 16 december 2020 die door dit reglement worden opgeheven.
Motivering
Overwegende dat voor het innen van niet-betaalde niet-fiscale vorderingen, een retributie kan gevraagd worden;
Overwegende dat deze retributie een redelijke vergoeding is en in verhouding staat tot de werkelijke kostprijs van de verleende prestatie;
Overwegende dat het veelvuldig opstellen van dergelijke aanmaningsbrieven doorweegt op de gemeentelijke administratie;
Overwegende dat het dan ook is aangewezen om deze kosten te verhalen op diegenen die de door hen verschuldigde sommen laattijdig betalen;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Bevoegdheid
Gelet op artikel 173 van de Grondwet;
Gelet op artikel 40, § 3; 41,14° en 177, 2° van het Decreet over het Lokaal Bestuur;
Artikel 1
Er wordt een retributie geheven voor de kosten verbonden aan de invordering van niet-fiscale vorderingen.
Artikel 2
Het gaat om vorderingen uit hoofde van opgelegde retributies, schadevergoedingen, vorderingen uit hoofde van een gerechtelijke uitvoerbare titel en terugvorderingen van ten onrechte betaalde bedragen.
Indien de debiteur de vordering niet betaalt binnen de wettelijke bepaalde vervaltermijn, worden de hieronder bepaalde retributies aangerekend ingeval de in die artikelen vermelde acties worden ondernomen met het oog op de invordering van de schuld.
Artikel 3 kosten tweede en derde aanmaning en aanmaning na niet-naleving van een afbetalingsplan
Indien de debiteur niet betaalt binnen de termijn voorzien in de gratis eerste aanmaning, wordt telkens een kost van 20,00€ aangerekend voor de verzending van een tweede en een derde aanmaning. Indien een debiteur een afbetalingsplan krijgt en dit vervolgens niet nakomt wordt hem een aanmaning gestuurd. Voor deze aanmaning wordt een kost van 20,00€ aangerekend.
Artikel 4 grensoverschrijden invordering
Voor de grensoverschrijdende invordering van onbetaalde fiscale vorderingen waarvoor de gemeente beroep doet op een derde, komt het bedrag van de retributie overeen met de incasso- en administratiekosten die de derde hiervoor aan de gemeente doorrekent, vermeerderd met 50,00€. De retributie is verschuldigd van zodra het dossier aan de derde wordt overgemaakt.
Artikel 5 opmaak dwangbevel
Wanneer de debiteur niet overgaat tot betaling van de volledige schuld, kosten en intresten inbegrepen, kan de financieel directeur overgaan tot opmaak van een dwangschrift met het oog op betekening door een gerechtsdeurwaarder. Voor het aanmaken van dit dwangschrift wordt een kost van 30,00€ aangerekend.
Artikel 6 gedwongen uitvoering
Indien na betekening van een dwangschrift de debiteur nog steeds in gebreke blijft, kan de financieel directeur volgende stappen nemen in gedwongen uitvoering en invordering. Hiervoor wordt telkens de overeenstemmende kost opgegeven. Deze kost wordt aangerekend bovenop de eventuele gerechtskosten en gerechtsdeurwaarderskosten en reële kosten die op grond van de wettelijke regelingen worden doorgerekend aan de debiteur.
1° derdenbeslag, het beslag wordt aangetekend verzonden aan een derde, schuldenaar van de debiteur en tevens aangezegd aan de debiteur zelf: 50,00€
2° het nemen van een hypothecaire inschrijving indien de debiteur een onroerend goed bezit, hieraan gaan uitgebreide opzoekingen vooraf: de effectief betaalde kost aan het kantoor rechtszekerheid (nieuwe benaming hypotheekkantoor) wordt doorgerekend, vermeerderd met 50,00€ administratieve kosten per hypothecaire inschrijving.
3° uitvoerend beslag op onroerend goed:
- administratieve en juridische procedurevoorbereiding (per onroerend goed): 1.750,00€. Deze retributie is verschuldigd zodra de door de gemeente aangestelde deurwaarder aan de debiteur een akte houdende het ‘bevel voorafgaand aan het uitvoerend beslag op onroerend goed’ heeft betekend.
- administratieve en juridische procedurevoorbereiding aanstelling notaris: 1.250,00€. Deze retributie is verschuldigd zodra de gemeente de dagvaarding daartoe betekent.
4° procedure uit onverdeeldheid treden al dan niet in combinatie met uitvoerend onroerend beslag: ingeval er diverse mede-eigenaars samen met de debiteur zijn moet een procedure gevoerd worden om uit de onverdeeldheid te treden: 2.000,00€ van zodra de gemeente de dagvaarding daartoe aan de mede-eigenaars betekent, voor zover als gevolg daarvan de effectieve verdeling wordt opgelegd in een vonnis dat kracht van gewijsde heeft.
5° procedure tot aanstelling van een curator over een onbeheerde nalatenschap wanneer er geen gekende erfgenamen zijn, maar wel een nalatenschap van waaruit een vordering kan voldaan worden: 1.500,00€ van zodra het namens de gemeente opgemaakte verzoekschrift tot aanstelling van een curator werd neergelegd, voor zover dat verzoekschrift uitmondt in de effectieve aanstelling van een curator.
6° procedure van indeplaatsstelling (per onroerend goed): 1.000,00€. Deze retributie is verschuldigd van zodra het namens de gemeente opgemaakte verzoekschrift om in de plaats te worden gesteld werd ingediend, voor zover de gemeente effectief in de plaats wordt gesteld van de beslagleggende schuldeiser die in gebreke bleef.
Artikel 7 inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en vervangt het reglement goedgekeurd bij gemeenteraadsbeslissing dd. 16 december 2020 die door dit reglement worden opgeheven.
Motivering
Overwegende dat de gemeentelijke sport- en jeugddiensten diverse activiteiten organiseert;
Gelet op het retributiereglement van 28/03/2025 met betrekking tot sport en spel;
Overwegende dat de gemeente voor geleverde prestaties een retributie kan vragen;
Overwegende dat deze retributies een redelijke vergoeding is en in verhouding staat tot de werkelijke kostprijs van de verleende prestatie;
Overwegende dat inwoners reeds bijdragen aan de financiering van gemeentelijke diensten en infrastructuur via belastingen, dat het daarom billijk is dat inwoners een lager tarief dienen te betalen;
Overwegende dat het lager tarief voor inwoners de deelname aan de lokale sport- en jeugdactiviteiten dient te bevorderen, wat bijdraagt aan sociale cohesie, gezondheid en welzijn binnen de gemeente;
Overwegende dat het Vlaamse armoedebeleid een sleutelrol legt bij de lokale besturen om vrijetijdsactiviteiten toegankelijk te maken voor kwetsbare gezinnen en om daarom een MIA-tarief te voorzien in het reglement;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Bevoegdheid
Gelet op artikel 173 van de Grondwet;
Gelet op artikel 40, § 3 en 41,14° van het Decreet over het Lokaal Bestuur;
Artikel 1 definitie
Er wordt een retributie gevestigd op activiteiten voor kinderen en jongeren georganiseerd door de gemeente.
Artikel 2 tarief
De retributie wordt als volgt vastgesteld:
|
|
inwoners |
niet-inwoners |
| sportkampen |
|
|
| omnisport (5d) |
65,00 € |
95,00 € |
| adventure (5d) |
100,00 € |
130,00 € |
|
|
|
|
| speelpleinwerking |
|
|
| kabouters (5d) |
35,00 € |
60,00 € |
| speelvogel (5d) |
35,00 € |
60,00 € |
|
|
|
|
| lessenreeks |
|
|
| dans (25x) |
50,00 € |
75,00 € |
| tennis (10x) |
80,00 € |
100,00 € |
|
|
|
|
| fitness |
|
|
| 10-beurtenkaart |
60,00 € |
80,00 € |
| jaarabonnement |
300,00 € |
400,00 € |
|
|
|
|
| groepslessen |
|
|
| 10-beurtenkaart |
45,00 € |
65,00 € |
| jaarabonnement |
250,00 € |
350,00 € |
| senioren (10-beurtenkaart) |
20,00 € |
30,00 € |
|
|
|
|
| groepslessen+fitness |
|
|
| jaarabonnement |
400,00 € |
600,00 € |
|
|
|
|
| tennis |
|
|
| abonnement jongeren |
40,00 € |
40,00 € |
| abonnement volwassenen |
80,00 € |
80,00 € |
|
|
|
|
Artikel 3 vermindering
Deelnemers die in aanmerking komen voor het statuut Mensen in Armoede (MIA) genieten een vermindering van 80% op het toepasselijke tarief.
Het statuut wordt aangetoond door middel van een attest van een erkende organisatie (bv. OCMW, CAW, Huis van het Kind) of via inschrijving in het UiTPAS-systeem met kansentarief.
De vermindering geldt zowel voor inwoners als niet-inwoners die woonachtig zijn in een deelnemende gemeente van Zuid-West.
Artikel 4 betaling
De retributie is verschuldigd door de aanvrager en is onmiddellijk te betalen;
Artikel 5 inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en vervangt het reglement goedgekeurd bij gemeenteraadsbeslissing dd. 28 maart 2025 die door dit reglement worden opgeheven.
Motivering
Overwegende dat de gemeente sportinfrastructuur ter beschikking stelt;
Gelet op het retributiereglement van 28/03/2025 met betrekking tot sport en spel;
Overwegende dat de gemeente voor geleverde prestaties een retributie kan vragen;
Overwegende dat deze retributies een redelijke vergoeding is en in verhouding staat tot de werkelijke kostprijs van de verleende prestatie;
Overwegende dat inwoners reeds bijdragen aan de financiering van gemeentelijke diensten en infrastructuur via belastingen;
Overwegende dat het gemeentebestuur het gebruik van de sporthal wil bevorderen door lokale sportverenigingen te ondersteunen;
Overwegende dat het toekennen van een lager tarief aan erkende sportclubs kan worden beschouwd als een vorm van indirecte subsidiëring, waardoor hun werking financieel haalbaar blijft;
Overwegende dat een lager tarief voor inwoners en erkende lokale sportclubs de deelname aan de lokale sport- en jeugdactiviteiten dient te bevorderen, wat bijdraagt aan sociale cohesie, gezondheid en welzijn binnen de gemeente;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Bevoegdheid
Gelet op artikel 173 van de Grondwet;
Gelet op artikel 40, § 3 en 41,14° van het Decreet over het Lokaal Bestuur;
Artikel 1 definitie
Er wordt een retributie gevestigd op het gebruik van de sportinfrastructuur die door de gemeente ter beschikking wordt gesteld;
Artikel 2 tarief
De retributie wordt als volgt vastgesteld:
|
|
inwoners |
sportclubs |
niet-inwoners |
| sportzaal |
|
|
|
| 1/3 zaal (per uur) |
3,00 € |
5,00 € |
10,00 € |
| 2/3 zaal (per uur) |
4,50 € |
7,50 € |
15,00 € |
| volledige zaal (per uur) |
6,00 € |
10,00 € |
20,00 € |
| volledige zaal (per dag) |
52,00 € |
60,00 € |
120,00 € |
|
|
|
|
|
| vergaderzaal (ongeacht de duur) |
50,00 € |
gratis |
50,00 € |
|
|
|
|
|
| tennisterrein |
|
|
|
| per uur |
10,00 € |
|
10,00 € |
Wanneer de sportzaal of vergaderzaal vuil wordt achtergelaten of ingeval van schade wordt een nalatigheidstarief van 100,00 euro aangerekend bovenop de kostprijs van de herstelling ingeval van schade.
Artikel 3 vermindering
Ingeval de sporthal gebruikt wordt door beleidsondersteunende gebruikers gericht op jongeren, geldt het tarief van 90,00 € per dag
Artikel 4 betaling
De retributie is verschuldigd door de aanvrager en is onmiddellijk te betalen;
Artikel 5 inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en vervangt het reglement goedgekeurd bij gemeenteraadsbeslissing dd. 28 maart 2025 die door dit reglement worden opgeheven.
Motivering
Overwegende dat de gemeente documenten aflevert en inlichtingen verstrekt in verband met bouwen, milieu en wonen (Omgeving);
Gelet op het retributiereglement van 20/12/2023 voor de afgifte van documenten (omgevingsvergunningen) en het verstrekken van inlichtingen in verband met bouwen, milieu en wonen;
Overwegende dat de gemeente voor geleverde prestaties een retributie kan vragen;
Overwegende dat deze retributies een redelijke vergoeding is en in verhouding staat tot de werkelijke kostprijs van de verleende prestatie;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Bevoegdheid
Gelet op artikel 173 van de Grondwet;
Gelet op artikel 40, § 3 en 41,14° van het Decreet over het Lokaal Bestuur;
Artikel 1 definitie
Er wordt een retributie gevorderd voor de afgifte van omgevingsvergunningen in verband met bouwen, milieu en wonen. De retributie is van toepassing op de aangiften vanaf deze zelfde datum.
Artikel 2 tarief
De retributie wordt als volgt vastgesteld:
| aanvraag omgevingsvergunning gewone procedure |
100,00 € |
| aanvraag omgevingsvergunning vereenvoudigde procedure |
70,00 € |
| aanvraag omgevingsvergunning voor verkavelen van gronden |
100,00 € |
| melding omgevingsloket (meldingsplicht zonder vergunningsplicht) |
35,00 € |
| post- en publicatiekosten openbaar onderzoek |
kostprijs |
| aanvraag vastgoedinlichtingen – per perceel |
70,00 € |
| aanvraag splitising – per perceel |
70,00 € |
| aanvraag bodemsaneringsproject |
100,00 € |
| aanvraag planologisch attest |
1.000 € |
| aanvraag conformiteitsattest toeristische logies |
70,00 € |
Artikel 3 vrijstelling
Deze retributie is niet verschuldigd voor overheidsinstellingen of instellingen die opgericht zijn door overheden;
Artikel 4 betaling
De retributie is verschuldigd door de aanvrager en is te betalen binnen de 30 dagen na ontvangst van de retributie;
Artikel 5 inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en vervangt het reglement goedgekeurd bij gemeenteraadsbeslissing dd. 20 december 2023 die door dit reglement worden opgeheven.
Motivering
Overwegende dat de gemeente in de kerk van Helkijn geïnvesteerd heeft in een klank- en lichtinstallatie en dat zij deze ter beschikking stelt aan derden;
Overwegende dat voor het ter beschikking stellen van deze installatie het billijk is hiervoor een vergoeding te vragen;
Bevoegdheid
Gelet op artikel 173 van de Grondwet;
Gelet op artikel 40 en 41 van het Decreet over het Lokaal Bestuur;
Artikel 1 definitie
Er wordt een retributie gevestigd op het ter beschikking stellen van de klank-en lichtinstallatie in de kerk van Helkijn;
Artikel 2 tarief
Voor het gebruik van de installaties wordt een retributie van €150 per dag aangerekend. Indien er inzet door gemeentepersoneel vereist is, geldt er een bijkomende retributie van 75,00 € per begonnen uur.
Artikel 3 schade
Schade of verlies aan materiaal, veroorzaakt tijdens de huurperiode, wordt volledig verhaald op de huurder (materiële herstelling/vervanging aan kostprijs, vermeerderd met eventuele werkuren van gemeentepersoneel).
Artikel 4 betaling
De retributie is verschuldigd door de aanvrager en is binnen de 30 dagen te betalen na ontvangst van de factuur;
Artikel 5 inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026.
Motivering
Overwegende dat het openbaar domein eigendom is van de gemeente en dient voor het algemeen gebruik;
Overwegende dat interventies extra kosten en hinder veroorzaken voor de gemeente;
Overwegende dat het billijk is dat de veroorzaker van deze kosten instaat voor de vergoeding ervan;
Overwegende dat de tarieven gebaseerd zijn op werkelijke kosten en marktconforme bedragen;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Bevoegdheid
Gelet op artikel 173 van de Grondwet;
Gelet op artikel 40 en 41 van het Decreet over het Lokaal Bestuur;
Artikel 1 definitie
Er wordt een retributie gevestigd op interventies op het openbaar domein omwille van sluikstort en het herstellen van het openbaar domein na beschadiging;
Artikel 2 tarief
De retributie wordt als volgt vastgesteld:
Artikel 3 betaling
De retributie is verschuldigd door de aanvrager en is binnen de 30 dagen te betalen na ontvangst van de factuur;
Artikel 4 inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026.
Motivering
Overwegende dat een optimale afkoppeling op woningniveau noodzakelijk is om in aanmerking te komen voor de maximale subsidies vanwege de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) voor de uitvoering van rioleringswerken;
Overwegende dat een gescheiden rioleringsstelsel maar werkt als een optimale afkoppeling voor elke woning gebeurt;
Overwegende dat sinds 1 juli 2011 de keuring van de riolering verplicht is;
Overwegende dat voor projecten gegund na 1 juli 2011, waarbij een gescheiden riolering in de straat wordt aangelegd de Vlaamse Milieumaatschappij de subsidies pas uitbetaalt indien alle woningen langs dat project optimaal afgekoppeld zijn;
Overwegende dat het wenselijk is om een gemeentelijke belasting te vestigen op het niet optimaal afkoppelen van hemelwater in die projecten;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente en de noodzaak om het budget in evenwicht te houden.
Bevoegdheid
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170, § 4 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994,
Gelet op artikel 40, § 3 en 41, tweede lid, 14° van het decreet over het lokaal bestuur
Juridisch kader
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, met latere wijzigingen,
Gelet op de wet van 26 maart 1971 inzake de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, en zijn latere wijzigingen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning (VLAREM I) en latere wijzigingen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende de algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (VLAREM II) en latere wijzigingen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1999 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 1996 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder, alsook van de verhouding waarin, het Vlaamse gewest bijdraagt in de kosten verbonden aan de aanleg en de verbetering door de gemeenten van openbare riolen, andere dan prioritaire rioleringen, evenals houdende vaststelling van nadere regels met betrekking tot de procedure tot vaststelling van de subsidiëringsprogramma’s;
Gelet op De Europese Kaderrichtlijn Water van 22 december 2000 welke tot doel stelt om de watervoorraden,de waterbeheersing en de kwaliteit van de leefomgeving tegen 2015 veilig te stellen
Gelet op het Vlaams decreet betreffende integraal waterbeleid van 18 juli 2003;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2004 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater;
Gelet op het Vlaamse decreet van 24 december 2004 met het oog op het behalen van de Europese doelstellingen voor de Kaderrichtlijn Water;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 2006 houdende vaststelling van de regels met betrekking tot de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsplicht en de vaststelling van de zoneringsplannen, en latere wijzigingen;
Gelet op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 15 mei 2009, en latere wijzigingen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 8 april 2011 houdende het algemeen waterverkoopreglement waardoor sinds 1 juli 2011 een keuring van de privéwaterafvoer verplicht is in volgende gevallen:
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2011 betreffende de keuring van de binneninstallatie en de privéwaterafvoer;
Gelet op het ministerieel besluit van 20 augustus 2012 tot vaststelling van de code van goede praktijk voor het ontwerp en de aanleg van rioleringssystemen.
Gelet op de Decreten van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en de handhaving van de omgevingsvergunning;
Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 houdende definitieve goedkeuring van de omgevingsvergunning;
Artikel 1 belastbaar feit en heffingstermijn
Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 ten voordele van de gemeente een belasting geheven op:
1° het niet of niet optimaal afkoppelen (niet conform het afkoppelingsplan of de verplichting opgenomen in de stedenbouwkundige vergunning) van hemelwater volgens de Vlaremwetgeving bij gebouwen en percelen gelegen in een straat waar de aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel is gebeurd en afkoppeling verplicht is zoals voorzien in de Vlarem wetgeving.
2° het niet optimaal afkoppelen van hemelwater op privé terrein, zoals opgelegd in de stedenbouwkundige of omgevingsvergunning en/of aangeduid op het goedgekeurde plan horende bij de vergunning.
3° bij het vaststellen dat een situatie op privaat terrein niet (langer) voldoet aan de Vlarem wetgeving betreffende optimale afkoppeling en aansluitplicht.
4° het niet afleveren van een keuringsattest van de private riolering na een belangrijke wijziging aan de privériolering die de werking van het openbare rioleringsnetwerk kan bedreigen. Onder belangrijke wijziging worden volgende aspecten verstaan:
5° het niet plaatsen van een IBA overeenkomstig het goedgekeurd GUP-zoneringsplan van de VMM.
Artikel 2 definities
Voor de toepassing van dit besluit wordt het volgende verstaan onder:
Bij nieuwbouw of belangrijke renovatiewerken in gesloten bebouwing moeten wel alle dakoppervlakken afgekoppeld worden
Artikel 3 belastingplichtige
§1 De belastingplichtige is de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van een geheel of gedeeltelijk verhard perceel of gebouw, die naar aanleiding van de aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel het hemelwater niet afkoppelt overeenkomstig de Vlarem-wetgeving of wanneer wordt vastgesteld dat afkoppeling op privéterrein door de eigenaar niet is uitgevoerd overeenkomstig de Vlarem-wetgeving of gewijzigd werd zodat de situatie niet langer voldoet aan de Vlarem-wetgeving.
Indien er erfpacht, opstalrecht of vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker. Dit ontslaat evenwel de eigenaar niet van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van het bedrag van de verschuldigde belasting op het onroerend goed waarvan hij de eigenaar is en waarop de erfpacht, opstal of het vruchtgebruik rust.
§2 In geval van overdracht onder levenden, wordt de hoedanigheid van eigenaar beoordeeld op datum van de authentieke akte tot vaststelling van de overdracht.
§3 In geval van mede-eigendom, is iedere mede-eigenaar belastingschuldig voor zijn wettelijk deel. Dit ontslaat echter elke eigenaar afzonderlijk niet van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van het volledige bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de entiteit waarvan hij mede-eigenaar is.
Artikel 4 berekeningsgrondslag en tarief
De forfaitaire basisbelasting voor aanslagjaar 2025 wordt vastgesteld op 1.250 EUR per jaar, voor elk begonnen jaar waarvan blijkt dat:
- nadat er een eerste ingebruikname was van de aansluiting
- nadat er belangrijke wijzigingen zijn aangebracht aan het private rioleringsstelsel
- op verzoek van de exploitant na de vaststelling van een inbreuk op de gelijkvormigheid.
De belasting is voor het eerst verschuldigd op 1 januari van het aanslagjaar dat volgt op de datum van vaststelling van niet-conformiteit, en daarna van jaar tot jaar. Indien het perceel of het gebouw na een tweede opeenvolgende termijn van twaalf maanden niet voldoet aan de afkoppelingsplicht, wordt het belastingtarief verhoogd met 100 % op het initiële belastingtarief.
De belasting is elk jaar onverdeeld verschuldigd tot en met het jaar dat bij het gemeentebestuur:
Artikel 5 vrijstelling
1° Eigenaars van gebouwen waarvoor de volledige optimale afkoppeling technisch niet haalbaar is kunnen worden vrijgesteld van de belasting. Over de haalbaarheid wordt beslist door de afkoppelingsdeskundige en/of de bevoegde gemeenteambtenaar. Indien deze beslissing wordt betwist wordt een definitieve beslissing genomen door een door beide partijen aangestelde en aanvaarde onafhankelijke deskundige
2° De eigenaar, die op 1 januari van het aanslagjaar minder dan één jaar een stedenbouwkundige vergunning heeft aangevraagd voor verbouwingsplannen met aanpassing van de private riolering, wordt vrijgesteld van de belasting. Deze vrijstelling geldt voor één aanslagjaar volgend op de datum van de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning
3° De nieuwe eigenaar, die op 1 januari van het aanslagjaar minder dan één jaar eigenaar is, wordt vrijgesteld van de belasting. Deze vrijstelling geldt voor één aanslagjaar volgend op de datum van de notariële akte.
Artikel 6 kohierbelasting
De belasting wordt gevestigd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 7 betaling
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 8 bezwaar
Op grond van het Decreet van 30 mei 2008 en volgens de daar beschreven voorwaarden kan tegen deze belasting een bezwaar ingediend worden bij het college van burgemeester en schepenen.
Behoudens latere wijzigingen bepaalt het Decreet dat het bezwaar schriftelijk moet worden ingediend, en ondertekend en gemotiveerd zijn. Het moet op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 9
Om het belastingsreglement dd. 18/12/2019 betreffende het niet optimaal afkoppelen vanaf 2020, op te heffen.
Motivering
Gelet op de financiële toestand van de gemeente en de noodzaak om het budget in evenwicht te houden;
Bevoegdheid
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170, § 4 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994,
Gelet op artikel 40, § 3 en 41, tweede lid, 14° van het decreet over het lokaal bestuur
Juridisch kader
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, met latere wijzigingen;
Artikel 1 belastbaar feit en heffingstermijn
Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 ten voordele van de gemeente een jaarlijkse algemene gemeentebelasting gevestigd ten laste van de entiteiten die op 1 januari van het aanslagjaar op het grondgebied van de gemeente wonen, verblijven of één of meerdere vestigingen gebruiken of tot gebruik voorbehouden.
Artikel 2 definities
Voor de toepassing van dit besluit wordt het volgende verstaan onder:
de natuurlijke persoon die uit hoofde van zijn zelfstandige beroeps- of bedrijvenactiviteit uitsluitend optreedt als werkend vennoot of als bestuurder in een vennootschap wordt niet als belastingplichtige beschouwd in de zin van dit;
Artikel 3 belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door
1° de alleenstaande, of door de referentiepersoon van het gezin of van de communauteit, d.i. het gezinslid of het lid van de communauteit dat gewoonlijk met de administratie in contact staat voor de aangelegenheden die het gezin of de communauteit betreffen.
De andere leden van het gezin of van de communauteit zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting.
2° de natuurlijke personen die op 1 januari van het aanslagjaar, als hoofd- of in bijberoep een nijverheids landbouw-, tuinbouw- en/of handelsbedrijf exploiteren, en/of een vrij beroep of een andere zelfstandige activiteit uitoefenen, inclusief zelfstandige helpers, en die op het grondgebied van de gemeente één of meerdere vestigingen voor een economische bedrijvigheid gebruiken of tot gebruik voorbehouden;
3° alle rechtspersonen die op 1 januari van het aanslagjaar op het grondgebied van de gemeente één of meerdere vestigingen voor een economische bedrijvigheid gebruiken of tot gebruik voorbehouden.
De rechtspersonen vermeld in de artikelen 180, 181 en 182 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn niet aan de belasting onderworpen.
Artikel 4 berekeningsgrondslag en tarief
De belasting wordt vastgesteld op 45,00€.
De belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar.
Artikel 5 vrijstelling en vermindering
1° Een belastingplichtige kan een vermindering van de belasting bekomen indien deze op 1 januari van het aanslagjaar recht heeft op maatschappelijke integratie (leefloon) op basis van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie of steun ontvangt van een OCMW dat geheel of gedeeltelijk ten laste wordt genomen door de federale staat van tenminste zes maanden. Het tarief bedraagt 20,00€
2° Een belastingplichtige die op hetzelfde adres zowel gedomicilieerd is als een zelfstandige activiteit uitoefent (hetzij als natuurlijke persoon, hetzij als zaakvoerder), is slechts één belasting verschuldigd.
Elke aanvraag om ontheffing of vermindering op grond van 1° of 2° hierboven moet binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet, schriftelijk worden aangevraagd bij het college van burgemeester en schepenen. Elke aanvraag moet voorzien zijn van de nodige bewijzen.
Artikel 6 invordering
De belasting wordt gevestigd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen. De belasting wordt ingevorderd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008, en wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen.
Artikel 7 betaling
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 8 bezwaar
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen de belastingaanslag bezwaar indienen bij het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Het bezwaar moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag.
Artikel 9
Om het belastingsreglement Algemene Milieubelasting dd. 18/12/2019 vanaf het jaar 2020, op te heffen.
Motivering
Gelet op de financiële toestand van de gemeente en de noodzaak om het budget in evenwicht te houden;
Bevoegdheid
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170, § 4 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994,
Gelet op artikel 40, § 3 en 41, tweede lid, 14° van het decreet over het lokaal bestuur
Juridisch kader
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, met latere wijzigingen;
Artikel 1 belastbaar feit en heffingstermijn
Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 ten voordele van de gemeente een jaarlijkse belasting geheven op vaste en mobiele reclame geplaatst op het grondgebied van de gemeente langs de openbare weg of een plaats in de open lucht, zichtbaar vanaf de openbare weg en bestemd voor het voeren van reclame.
Artikel 2 definities
Voor de toepassing van dit besluit wordt het volgende verstaan onder:
Artikel 3 belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door de persoon die de bevoegdheid heeft om de reclame op de drager te beheren en/of te exploiteren. Als deze persoon niet gekend is dan is de belasting verschuldigd door de eigenaar van de vaste of mobiele drager of de eigenaar van de muur, het gebouw, de afsluiting, het voertuig of andere constructies waarop de reclame is aangebracht.
Artikel 4 berekeningsgrondslag en tarief
De belasting op vaste en mobiele reclame is ondeelbaar en voor het hele jaar verschuldigd, ongeacht de datum van plaatsing of verwijdering.
Ze wordt vastgesteld op 75,00€ per vierkante meter.
Elk gedeelte van een vierkante meter wordt beschouwd als een volledige vierkante meter.
Er geldt steeds een minimumoppervlakte van een vierkante meter.
De belastbare oppervlakte, waarbij elke belastbare drager afzonderlijk wordt beschouwd, wordt berekend als volgt:
Artikel 5 vrijstelling
De belasting is niet verschuldigd voor:
1° de borden, die worden opgericht na 1 december van het aanslagjaar;
2° de borden, geplaatst door openbare besturen of openbare diensten, voor zover geen winstgevend doel wordt nagestreefd;
3° de borden, die enkel en alleen worden gebruikt voor notariële aankondigingen aangezien het hier over aankondigingen van een openbaar ambt gaat;
4° de borden, die enkel en alleen worden gebruikt ter gelegenheid van wettelijke voorziene verkiezingen.
Artikel 6 aangifteplicht
De belastingplichtige doet uiterlijk op 31 januari van het aanslagjaar aangifte bij het gemeentebestuur door middel van een aangifteformulier dat door het gemeentebestuur ter beschikking wordt gesteld. De aangifte wordt ingediend op digitale wijze via het onlineformulier terug te vinden op de website van de gemeente https://www.spiere-helkijn.be/belastingen of via een eigen pdf-document op te sturen via e-mail naar belastingen@spiere-helkijn.be.
Indien een eigen formulier wordt opgestuurd dan bevat de aangifte minstens de volgende gegevens:
De natuurlijke of rechtspersonen die na 31 januari van het aanslagjaar overgaan tot het oprichten van (een) reclamebord(en) dienen hiervan spontaan aangifte te doen bij het gemeentebestuur.
Artikel 7 ambtshalve vestiging en belastingverhoging
§1. Bij gebrek aan aangifte binnen de termijn zoals vermeld in artikel 6, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte, kan de belasting ambtshalve worden gevestigd.
§2. In het geval van de ambtshalve vestiging van de belasting wordt de belasting verhoogd met 25% van de ontdoken belasting, met een minimum van 25,00€. In geen geval mag het verhoogd recht het dubbele van de verschuldigde belasting overschrijden. De belastingverhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Artikel 8 invordering
De belasting wordt gevestigd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen. De belasting wordt ingevorderd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008, en wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen.
Artikel 9 betaling
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 10 bezwaar
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen de belastingaanslag bezwaar indienen bij het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Het bezwaar moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag.
Artikel 11
Om de gemeenteraadsbeslissing dd. 16/12/2020 houdende de vestiging van een belasting op reclameborden vanaf het jaar 2021, op te heffen.
Motivering
Overwegende dat het ongevraagd en systematisch verspreiden van ongeadresseerd drukwerk en gelijkgestelde producten in alle brievenbussen of op de openbare weg nadelig is voor het milieu, het volume papierafval verhoogt en bijkomende kosten van onder meer afhaling en verwerking meebrengt,
Gelet op de financiële toestand van de gemeente en de noodzaak om het budget in evenwicht te houden is het gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen van alle belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente,
Het tarief voor het drukwerk wordt vastgesteld per exemplaar volgens gewicht. Deze berekeningswijze huldigt het principe ‘de vervuiler betaalt’,
Het drukwerk of het gelijkgesteld product voor de verkiezingen en in het kader van een volksraadpleging wordt vrijgesteld van de belasting om het democratisch discours maximale kansen te geven. Het drukwerk of het gelijkgesteld product wordt in deze context verdeeld in het kader van het algemeen belang. Het is informatief, het heeft geen winstgevend oogmerk en het wordt beperkt in de tijd tijdens de periode van de verkiezingen of de volksraadpleging verdeeld,
Het drukwerk of het gelijkgesteld product van openbare instellingen, notarissen, door de gemeente erkende verenigingen, vormings- en onderwijsinstellingen, socioculturele en sportverenigingen, bedoeld om de inwoners te informeren over aangelegenheden van openbaar nut of hun socioculturele activiteiten, worden vrijgesteld van de belasting. Dat staat niet in de weg dat deze instellingen ook – in de eerste plaats – meer milieuvriendelijke manieren kunnen benutten om hun informatie te verspreiden.
Bevoegdheid
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170, § 4 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994,
Gelet op artikel 40, § 3 en 41, tweede lid, 14° van het decreet over het lokaal bestuur.
Juridisch kader
Gelet op het Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet),
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA),
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, met latere wijzigingen.
Artikel 1 heffingstermijn en belastbaar feit
Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een gemeentebelasting gevestigd op de verspreiding van niet-geadresseerde drukwerken en van gelijkgestelde producten, ongeacht of ze in brievenbussen worden gedeponeerd of op de openbare weg worden verspreid.
Artikel 2 definities
Voor de toepassing van dit besluit wordt het volgende verstaan onder:
Artikel 3 belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door de fysieke persoon of rechtspersoon die de opdracht gaf aan de drukker om te drukken, of die opdracht gaf om het gelijkgestelde product te produceren. De belastingplichtige doet aangifte van zijn belatingschuld overeenkomstig artikel 6.
Wanneer deze persoon geen aangifte heeft gedaan overeenkomstig artikel 6 of niet gekend is, is de belasting verschuldigd door de persoon die op het drukwerk als verantwoordelijke uitgever wordt vermeld.
De drukker en de fysieke of rechtspersoon onder wiens naam, handelsnaam, logo of embleem het drukwerk of product wordt verspreid zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting.
Artikel 4 berekeningsgrondslag en tarief
De belasting is verschuldigd bij de beëindiging van de verspreiding van het ongeadresseerde drukwerk of het gelijkgestelde product. De belasting bedraagt:
0,05€ per bedeeld exemplaar tot en met 9 gram;
0,07€ per bedeeld exemplaar van 10 gram tot en met 49 gram;
0,10€ per bedeeld exemplaar van 50 gram tot en met 99 gram;
0,25€ per bedeeld exemplaar van 100 gram tot en met 249 gram;
0,50€ per bedeeld exemplaar van 250 gram tot en met 499 gram;
0,75€ per bedeeld exemplaar vanaf 500 gram.
Artikel 5 vrijstellingen
Vrijstelling van belasting wordt verleend als:
1° de opdracht tot drukken of produceren uitgaat van een politieke partij die een lijst indiende voor de Europese, federale, gewestelijke, provinciale of gemeentelijke verkiezingen of van een kandidaat op die lijst, voor zover het drukwerk of de gelijkgestelde producten verspreid worden in de sperperiode voor het voeren van politieke propaganda;
2° het drukwerk kadert in een gemeentelijke volksraadpleging, voor zover het verspreid wordt aan de gerechtigde deelnemers van de volksraadpleging overeenkomstig artikel 317 van het decreet over het lokaal bestuur tot uiterlijk de dag van de volksraadpleging;
3° het drukwerk uitgaat van openbare instellingen, notarissen, erkende gemeentelijke verenigingen, vormings- en onderwijsinstellingen, socioculturele verenigingen en jeugd/sportverenigingen.
Artikel 6 aangifteplicht
§1. De belastingplichtige doet minstens één dag voorafgaand aan de verspreiding aangifte bij het gemeentebestuur door middel van een aangifteformulier dat door het gemeentebestuur ter beschikking wordt gesteld. De aangifte wordt ingediend op digitale wijze via het onlineformulier terug te vinden op de website van de gemeente https://www.spiere-helkijn.be/belastingen of via een eigen pdf-document op te sturen via e-mail naar belastingen@spiere-helkijn.be.
Indien een eigen formulier wordt opgestuurd dan bevat de aangifte de volgende gegevens:
§2. De gemeente kan een exemplaar van het verspreide drukwerk of van het verspreide gelijkgesteld product opvragen.
Artikel 7 ambtshalve vestiging en belastingverhoging
§1. Bij gebrek aan aangifte binnen de termijn als vermeld in artikel 6, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte, zal de belasting ambtshalve worden gevestigd mits inachtneming van de in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen voorziene bepalingen.
§2. In het geval van de ambtshalve vestiging van de belasting wordt de belasting verhoogd met 25% van de ontdoken belasting, met een minimum van 25,00€. In geen geval mag het verhoogd recht het dubbele van de verschuldigde belasting overschrijden. De belastingverhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Artikel 8 invordering
De belasting wordt gevestigd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 9 betaling
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 10 bezwaar
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen de belastingaanslag bezwaar indienen bij het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Het bezwaar moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag.
Motivering
Gelet op de financiële toestand van de gemeente en de noodzaak om het budget in evenwicht te houden;
Bevoegdheid
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170, § 4 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;
Gelet op artikel 40, § 3 en 41, tweede lid, 14° van het decreet over het lokaal bestuur;
Gelet op artikel 286, 287 en 288 van het decreet lokaal bestuur;
Juridisch kader
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, met latere wijzigingen;
Gelet op de gecoördineerde omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15/02/2019 inzake de onderrichtingen over gemeentefiscaliteit van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur;
Gelet op de omzendbrief KB/ABB 2019/4 van 03/05/2019 van het Agentschap Binnenlands Bestuur houdende strategische meerjarenplannen 2020-2025 van de lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus;
Gelet op de omzendbrief KB/ABB 2020/3 van 18/09/2020 van het Agentschap Binnenlands Bestuur houdende strategische meerjarenplannen 2020-2025 van de lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus;
Artikel 1 belastbaar feit en heffingstermijn
Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een jaarlijkse belasting gevestigd op de tweede verblijven gelegen op het grondgebied van de gemeente Spiere-Helkijn.
Artikel 2 begripsomschrijving
Een tweede verblijf is elke private woongelegenheid die voor de eigenaar, de vruchtgebruiker, de erfpachter of de opstalhouder, de huurder of de gebruiker ervan niet tot hoofdverblijf dient, maar die op elk ogenblik door hen voor bewoning kan gebruikt worden en waarvoor er geen inschrijving is in het bevolkingsregister.
De hoedanigheid van het tweede verblijf wordt beoordeeld op 1 januari van het aanslagjaar.
Tweede verblijven zijn, mits te voldoen aan het eerste lid, landhuizen, bungalows, appartementen, studio’s, weekendhuizen, optrekjes en alle andere vaste woongelegenheden, met inbegrip van de met chalets gelijkgestelde caravans en die al of niet ingeschreven zijn in de kadastrale legger.
Worden niet beschouwd als tweede verblijf:
De mogelijkheid tot onmiddellijke bewoning blijkt uit de feiten. De aanwezigheid van voldoende meubilair, van een minimale infrastructuur voor koken en slapen, van een leveringscontract voor water en elektriciteit en van een eigenlijk elektriciteits- en waterverbruik worden als belangrijke indicaties weerhouden. Het gebrek aan gebruik voor de woongelegenheid als hoofdverblijf blijkt uit het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister.
Artikel 3 belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van het tweede verblijf.
In geval van vruchtgebruik, recht van opstal of recht van erfpacht is de belasting verschuldigd door respectievelijk de vruchtgebruiker, de opstalhouder of de erfpachthouder.
De belastingplicht geldt ook wanneer het verblijf verhuurd wordt, door een derde feitelijk gebruikt wordt, of wanneer hij het belaste goed dat niet door een derde wordt gehuurd of feitelijk gebruikt, tijdelijk niet gebruikt.
De eigenaar is de belasting verschuldigd ongeacht het feit of hij al dan niet in de bevolkingsregisters van de gemeente is ingeschreven.
In geval van mede-eigendom is elke niet-vrijgestelde mede-eigenaar belastingschuldig voor zijn wettelijk deel. Hetzelfde geldt bij medevruchtgebruik en indien meerdere personen titularis zijn van het recht van opstal en erfpacht.
In geval er meerdere niet-vrijgestelde houders van het zakelijk recht zijn, zijn deze eveneens hoofdelijk en ondeelbaar aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
De eigendomsoverdracht in de loop van het belastingjaar geeft geen aanleiding tot vermindering van de voor dat jaar verschuldigde belasting. Ingeval van overdracht van het eigendomsoverdracht in de loop van het aanslagjaar de nieuwe zakelijk gerechtigde de belasting verschuldigd met ingang van 1 januari volgend op de datum van de authentieke akte van overdracht. De overdrager is verplicht dit binnen de twee maanden na de datum van de authentieke akte te melden aan de gemeente door volgende gegevens mee te delen:
Artikel 4 berekeningsgrondslag en tarief
Het jaarlijks bedrag van de belasting wordt vastgesteld op 1.000,00 euro per tweede verblijf.
De belasting is ondeelbaar verschuldigd voor het aanslagjaar.
Artikel 5 aangifteplicht:
De belastingplichtige is gehouden jaarlijks ten laatste op 31 januari van het aanslagjaar een aangifte in te dienen.
De belastingplichtige ontvangt van het gemeentebestuur een voorstel van aangifte met de gegevens die bij het gemeentebestuur gekend zijn waarop de belasting zal gevestigd worden.
Als deze gegevens niet correct zijn, moeten de opmerkingen en wijzigingen doorgegeven worden uiterlijk op 31 januari van het aanslagjaar. Als de belastingplichtige geen opmerkingen bij het voorstel indient binnen de gestelde termijn, geldt het voorstel als een regelmatige aangifte.
De belastingplichtigen die geen voorstel van aangifte hebben ontvangen zijn niettemin verplicht om spontaan uiterlijk op 31 januari van het aanslagjaar de nodige gegevens aan het gemeentebestuur te bezorgen om de aanslag te kunnen vaststellen.
Spontane aangiften kunnen schriftelijk of via mail worden ingediend. Als de aangifte/opmerkingen verzonden worden via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van indiening.
Artikel 6 ambtshalve vestiging en belastingverhoging
§1. Bij gebrek aan aangifte binnen de termijn als vermeld in artikel 5, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte, zal de belasting ambtshalve worden gevestigd mits inachtneming van de in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen voorziene bepalingen.
§2. In het geval van de ambtshalve vestiging van de belasting wordt de belasting verhoogd met 25% van de ontdoken belasting, met een minimum van 25,00€. In geen geval mag het verhoogd recht het dubbele van de verschuldigde belasting overschrijden. De belastingverhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Artikel 7 invordering
De belasting wordt gevestigd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen. De belasting wordt ingevorderd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008, en wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen.
Artikel 8 betaling
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 9 bezwaar
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het College van Burgemeester en Schepenen overeenkomstig de bepalingen voorzien in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, invordering en geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag volgend op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet verzonden werd via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van zijn verzending. Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om berichten elektronisch uit te wisselen, wordt het aanslagbiljet geacht ontvangen te zijn op het tijdstip waarop het aanslagbiljet toegankelijk wordt voor de belastingplichtige.
Bezwaarschriften kunnen via duurzame drager (e-mail) worden ingediend binnen de termijnen en onder de voorwaarden vermeld in bovenstaand lid. De contactgegevens voor het op deze wijze indienen van bezwaarschriften zijn belastingen@spiere-helkijn.be .
Als het bezwaarschrift verzonden wordt via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van indiening van het bezwaar.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven, binnen de 15 dagen na indiening ervan.
Artikel 10 : Inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 01 januari 2026
Artikel 11
Om de gemeenteraadsbeslissing dd. 16/12/2020 om vanaf aanslagjaar 2021 een gemeentebelasting te vestigen op de tweede verblijven, op te heffen.
Motivering
Overwegende dat het wenselijk is dat het op het grondgebied van de gemeente beschikbare woningen- en gebouwenbestand ook als dusdanig gebruikt worden, omdat leegstand leidt tot verloedering wat extra taken meebrengt voor de gemeente;
Overwegende dat op basis van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het Grond- en Panden gemeenten een register van leegstaande woningen en gebouwen kunnen bijhouden;
Overwegende dat de langdurige leegstand van woningen en gebouwen in de gemeente moet voorkomen en bestreden worden omdat leegstaande woningen en gebouwen leidt tot meer opdrachten voor de gemeenten;
Overwegende dat de strijd tegen de leegstaande woningen en gebouwen onder meer een effect zal hebben als de opname van dergelijke gebouwen en woningen in een leegstandsregister ook daadwerkelijk leidt tot een belasting;
Overwegende de vrijstellingen van registratie en/of belasting die in dit reglement zijn opgenomen, omdat die het best aansluiten bij de noden en het beleid van de gemeente;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Bevoegdheid
Gelet op artikel 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op artikel 40, § 3; 41,14° en 177, 2° van het Decreet over het Lokaal Bestuur;
Gelet op het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, artikel 2.2.6, met latere wijzigingen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 8 juli 2016 houdende subsidiëring van intergemeentelijke projecten ter ondersteuning van het lokaal woonbeleid, dat gemeenten oplegt om leegstaande woningen en gebouwen op te nemen in een register conform artikel 2.2.6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het Grond- en Pandenbeleid;
Gelet op het ministerieel besluit van 19 juli 2017 houdende de toekenning van een subsidie aan het project “Beter Wonen” Waregem/Anzegem/Spiere-Helkijn”;
Artikel 1 definities
Voor de toepassing van dit reglement wordt onder volgende begrippen verstaan (met toepassing van de definiëring volgens de Vlaamse Codex Wonen van 2021, art. 1.3) :
1° administratie: de gemeentelijke Dienst Wonen;
2° beroepsinstantie: het College van Burgemeester en Schepenen;
3° gebouw: elk bebouwd onroerend goed, dat zowel hoofdgebouw als bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2, 1 °, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten,
4° leegstaand gebouw: gebouw waarvan meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte niet overeenkomstig de functie van het gebouw wordt aangewend gedurende een periode van ten minste twaalf opeenvolgende maanden. Hierbij wordt geen rekening gehouden met woningen die deel uitmaken van het gebouw. De functie van het gebouw is deze die overeenkomt met een voor het gebouw of voor de gedeelten ervan afgeleverde of gedane stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning of melding in de zin van artikel 4.2.1. en 4.2.2. van Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, met latere wijzigingen, of milieuvergunning of melding in de zin van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, met latere wijzigingen.
Bij een gebouw waarvoor geen vergunning of melding voorhanden is, of waarvan de functie niet duidelijk uit een vergunning of melding blijkt, wordt deze functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van het gebouw voorafgaand aan het vermoeden van leegstand, zoals blijkt uit aangiften, akten of bescheiden. Een gebouw dat in hoofdzaak heeft gediend voor een economische activiteit, vermeld in artikel 2, 2° van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt niet beschouwd als leegstand zolang de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit een gedeelte van het gebouw bewoont en dat gedeelte niet afsplitsbaar is. Een gedeelte is eerst afsplitsbaar indien na het slopen van de overige gedeelten kan worden beschouwd als een afzonderlijke woning die voldoet aan de bouwfysische vereisten;
5° woning: elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande;
6° leegstaande woning: een woning die gedurende een periode van ten minste 12 opeenvolgende maanden niet aangewend wordt in overeenstemming met:
7° leegstandsregister: het gemeentelijk register van leegstaande gebouwen en woningen, vermeld in boek 2, deel 2, titel 3 van de Vlaamse Codex Wonen 2021;
8° leegstand bij nieuwbouw: een nieuw gebouw of een nieuwe woning wordt als een leegstaand gebouw of een leegstaande woning beschouwd indien dat gebouw of die woning binnen zeven jaar na de afgifte van een omgevingsvergunning in laatste administratieve aanleg niet aangewend wordt overeenkomstig zijn functie;
9° opnamedatum: de datum waarop het gebouw of de woning voor de eerste maal in het leegstandsregister wordt opgenomen;
10° verjaardag: het ogenblik van het verstrijken van elke nieuwe periode van twaalf maanden vanaf de opnamedatum, zolang het gebouw of de woning niet uit het leegstandsregister is geschrapt;
11° zakelijk gerechtigde: de houder van één van de volgende zakelijke rechten:
12° beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijze:
13° renovatienota: een gedetailleerde, gedateerde en ondertekende nota renovatiewerken conform het decreet betreffende de omgevingsvergunning
Het document dient aan te tonen welke grondige renovatiewerken zullen uitgevoerd worden aan de woning of gebouw. De uitvoering van de werken moeten een aanzienlijke werktijd vereisen en van die omvang zijn dat zij de normale bewoning van het gebouw belemmeren. Uitgesloten zijn verfraaiingswerken.
Een renovatienota bestaat minimaal uit de volgende stukken:
Artikel 2 inhoud van het leegstandsregister
De gemeente houdt het leegstandsregister bij van leegstaande gebouwen en woningen. Het leegstandsregister bevat volgende vermeldingen:
Een woning die geïnventariseerd is als ongeschikt en/of onbewoonbaar, wordt niet opgenomen in het leegstandsregister.
Artikel 3 opname in het leegstandsregister
§1. De door het College van Burgemeester en Schepenen met de opsporing van leegstand belaste personeelsleden bezitten de onderzoeks-, controle- en vaststellingsbevoegdheden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
Een leegstaand gebouw of een leegstaande woning wordt opgenomen in het leegstandsregister aan de hand van een genummerde administratieve akte, waarbij een fotodossier en een beschrijvend verslag, met vermelding van de elementen die de leegstand staven, gevoegd worden. De datum van de administratieve akte geldt als de datum van de vaststelling van de leegstand en geldt als opnamedatum.
§2. Niet-cumulatieve criteria ter beoordeling van leegstand van een gebouw of een woning:
Wanneer aan één van de hierboven vermelde criteria wordt voldaan, wordt het gebouw of de woning opgenomen in de inventaris.
De vermelde termijnen worden berekend op datum van de administratieve akte.
§3. Als uit één van de hiernavolgende criteria niet onmiddellijk leegstand kan vastgesteld worden, voert de administratie één jaar na de eerste vaststelling een tweede controle uit op dit criterium alvorens het gebouw of de woning als leegstaand wordt beschouwd en in de inventaris wordt opgenomen:
§4. Een woning die of een gebouw dat in het gemeentelijk verwaarlozingsregister staat, kan eveneens opgenomen worden in het leegstandsregister, en omgekeerd.
Artikel 4 kennisgeving van de opname
De zakelijk gerechtigden worden per beveiligde zending in kennis gesteld van de beslissing tot opname in het leegstandsregister. Deze zending wordt gericht aan de woonplaats van de zakelijk gerechtigde(n). Is een woonplaats van een zakelijk gerechtigde niet gekend, dan wordt de beveiligde zending gericht aan zijn verblijfplaats. Is de verblijfplaats van een zakelijk gerechtigde niet gekend, dan vindt de betekening plaats aan het adres van de woning of het gebouw waarop de administratieve akte betrekking heeft.
De kennisgeving omvat :
Ingeval van mede-eigendom of ingeval er andere houders zijn van het zakelijk recht, dan zijn de mede-eigenaars of de andere houders van het zakelijk recht hoofdelijk mede aansprakelijk voor de rechtsgevolgen verbonden aan de opname in het leegstandsregister.
Artikel 5 beroep tegen registratie
§1. Binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de betekening van het schrijven, vermeld in artikel 4, kan de zakelijk gerechtigde bij het College van Burgemeester en Schepenen beroep aantekenen tegen de beslissing tot opname in het leegstandsregister. Het beroep wordt per beveiligde zending betekend. Dit beroepschrift, moet ondertekend zijn en bevat minimaal de volgende gegevens:
Als datum van het beroepschrift wordt de datum van de beveiligde zending gehanteerd.
Als het beroepschrift wordt ingediend door een persoon die optreedt namens de zakelijk gerechtigde, voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
De indiener voegt bij het beroepschrift de overtuigingsstukken die hij nodig acht. De overtuigingsstukken worden door de indiener gebundeld en op een bijgevoegde inventaris opgenomen.
§2. Zolang de indieningstermijn van dertig dagen niet verstreken is, kan een vervangend beroepschrift ingediend worden waarbij het eerdere beroepschrift als ingetrokken beschouwd wordt.
§3. Het College van Burgemeester en Schepenen registreert elk inkomend beroepschrift in het leegstandsregister en meldt de ontvangst ervan aan de indiener van het beroepschrift.
§4. Het College van Burgemeester en Schepenen toetst de ontvankelijkheid van het beroepschrift. Het beroepschrift is alleen onontvankelijk in één van de volgende gevallen:
§5. Als het College van Burgemeester en Schepenen vaststelt dat het beroepschrift onontvankelijk is, deelt ze dat aan de indiener mee met de vermelding dat de procedure als afgehandeld beschouwd wordt.
§6. Het College van Burgemeester en Schepenen onderzoekt als beroepsinstantie de gegrondheid van de ontvankelijke beroepschriften op stukken als de feiten vatbaar zijn voor directe, eenvoudige vaststelling, of met een feitenonderzoek, dat uitgevoerd wordt door een met opsporing van leegstaande gebouwen en woningen belaste ambtenaar. Het beroep wordt geacht ongegrond te zijn als de toegang tot een pand geweigerd of verhinderd wordt voor het feitenonderzoek.
§7. Het College van Burgemeester en Schepenen doet uitspraak over het beroep en betekent zijn beslissing aan de indiener ervan binnen een termijn van negentig (90) dagen, ingaand de dag na deze van de betekening van het beroepschrift. De uitspraak wordt per beveiligde zending betekend.
Als het College van Burgemeester en Schepenen het beroep gegrond acht wordt het gebouw of woning niet opgenomen in het leegstandsregister én kunnen de eerder gedane vaststellingen geen aanleiding geven tot een nieuwe beslissing tot opname in het leegstandsregister.
Indien het College van Burgmeester en Schepenen geen beslissing neemt binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt het beroep geacht te zijn ingewilligd.
§8. Indien de beslissing tot opname in het leegstandsregister niet tijdig betwist wordt, of het beroep van de zakelijk gerechtigde onontvankelijk of ongegrond verklaard wordt, neemt de gemeentelijke administratie het gebouw of de woning in het leegstandsregister op vanaf de datum van de vaststelling van de leegstand.
Het college van burgemeester en schepenen kan de bevoegdheden, vermeld in dit artikel, delegeren aan één of meer personeelsleden van de gemeente.
Artikel 6 schrapping uit het leegstandsregister
Een woning of gebouw wordt uit het leegstandsregister geschrapt :
Voor de schrapping uit het leegstandsregister richt de zakelijk gerechtigde een gemotiveerd verzoek aan de administratie, via beveiligde zending. De administratie onderzoekt of er redenen zijn tot schrapping uit het leegstandsregister en neemt een beslissing binnen een termijn van orde van twee maanden na ontvangst van het verzoek. Deze beslissing wordt ter kennisname gegeven aan het College van Burgemeester en Schepenen.
De administratie brengt de verzoeker op de hoogte van haar beslissing met een aangetekende brief of met een elektronisch beveiligde zending.
De administratie kan ambtshalve een verzoek tot schrapping uit het leegstandsregister indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen.
Artikel 7 Beroep tegen een weigeringsbeslissing tot schrapping
§1. Binnen een termijn van 30 dagen, ingaand de dag na de betekening van het schrijven waarin de zakelijk gerechtigde in kennis gesteld werd van de beslissing tot weigering van schrapping uit leegstandsregister, kan een zakelijk gerechtigde bij het College van Burgemeester en Schepenen beroep aantekenen tegen deze weigeringsbeslissing.
Als het beroepschrift wordt ingediend door een persoon die optreedt namens de zakelijk gerechtigde, moet aan het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging worden gehecht, tenzij het gaat om een raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of advocaat-stagiair.
§2. Beroep tegen de weigering tot schrapping uit het leegstandsregister dient aan het College van Burgemeester en Schepenen betekend te worden door middel van een beveiligde zending. Elk binnenkomend beroepschrift tegen de weigering tot schrapping wordt geregistreerd in het leegstandsregister. De ontvangst van het beroepschrift wordt gemeld aan de indiener ervan.
§3. Het College van Burgemeester en Schepenen doet uitspraak over het beroep tegen de weigering tot schrapping en betekent deze beslissing aan de indiener ervan binnen een termijn van 60 dagen, ingaand de dag na deze van de betekening van het verzoekschrift. De uitspraak wordt aan de indiener van het verzoekschrift per beveiligde zending betekend.
§4. Wanneer het beroep als gegrond wordt beschouwd, wordt het gebouw of de woning geschrapt uit het leegstandsregister op datum van de aanvraag tot schrapping. Dit wordt aan de indiener van het verzoekschrift per beveiligde zending betekend.
Indien het College van Burgemeester en Schepenen geen beslissing neemt binnen de termijn, vermeld in het derde lid, wordt het beroep geacht te zijn ingewilligd.
Artikel 8 inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en vervangt het reglement goedgekeurd bij gemeenteraadsbeslissing dd. 16 december 2020 die door dit reglement worden opgeheven.
Motivering
Overwegende dat het wenselijk is dat het op het grondgebied van de gemeente beschikbare woningen- en gebouwenbestand ook als dusdanig gebruikt worden, omdat leegstand leidt tot verloedering wat extra taken meebrengt voor de gemeente;
Overwegende dat op basis van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het Grond- en Panden gemeenten een register van leegstaande woningen en gebouwen kunnen bijhouden;
Overwegende dat de langdurige leegstand van woningen en gebouwen in de gemeente moet voorkomen en bestreden worden omdat leegstaande woningen en gebouwen leidt tot meer opdrachten voor de gemeenten;
Overwegende dat de strijd tegen de leegstaande woningen en gebouwen onder meer een effect zal hebben als de opname van dergelijke gebouwen en woningen in een leegstandsregister ook daadwerkelijk leidt tot een belasting;
Overwegende de vrijstellingen van registratie en/of belasting die in dit reglement zijn opgenomen, omdat die het best aansluiten bij de noden en het beleid van de gemeente;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Bevoegdheid
Gelet op artikel 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op artikel 40, § 3; 41,14° en 177, 2° van het Decreet over het Lokaal Bestuur;
Gelet op het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, artikel 2.2.6, met latere wijzigingen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 8 juli 2016 houdende subsidiëring van intergemeentelijke projecten ter ondersteuning van het lokaal woonbeleid, dat gemeenten oplegt om leegstaande woningen en gebouwen op te nemen in een register conform artikel 2.2.6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het Grond- en Pandenbeleid;
Gelet op het ministerieel besluit van 19 juli 2017 houdende de toekenning van een subsidie aan het project “Beter Wonen” Waregem/Anzegem/Spiere-Helkijn”;
Artikel 1 tarief en berekening
§1. Er wordt er voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een jaarlijkse leegstandsbelasting gevestigd op de woningen en gebouwen die gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden zijn opgenomen in het gemeentelijk leegstandsregister.
Het leegstandsregister wordt opgemaakt en bijgehouden overeenkomstig het reglement leegstandsregister.
De belasting voor een leegstaande woning of een leegstaand gebouw is – voor zover geen vrijstelling van belasting verleend wordt of de woning niet geschrapt werd uit het leegstandsregister - telkens verschuldigd bij het verstrijken van één of meer periodes van 12 maanden opname op het leegstandsregister.
§2. Het bedrag van de belasting wordt voor de eerste termijn van 12 maanden dat het gebouw of de woning is opgenomen in het leegstandsregister, vastgesteld op 1.500,00 € voor een leegstaande woning of een leegstaand gebouw
Indien de woning of het gebouw een tweede opeenvolgende termijn van 12 maanden op het register staat, bedraagt de belasting 3.000,00 €.
Indien de woning of het gebouw een derde opeenvolgende termijn van 12 maanden op het register staat, bedraagt de belasting 4.500,00 €.
Vanaf vier opeenvolgende termijnen van 12 maanden op het register, bedraagt de belasting 6.000,00 €.
Het aantal termijnen van twaalf maanden dat een gebouw of woning op de inventaris staat, wordt tot nul herleid en begint opnieuw te lopen bij overdracht van het zakelijk recht betreffende het gebouw of de woning. Dit geldt niet voor overdrachten aan of van:
Artikel 2 belastingschuldige - belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die gekend is als houder van het zakelijk recht betreffende het leegstaande gebouw of de leegstaande woning wordt op de verjaardag van de opnamedatum.
Als er een recht van opstal, erfpacht of vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de houder van dat zakelijk recht van opstal, van erfpacht of van vruchtgebruik op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd wordt.
§2. In geval van mede-eigendom is elke niet-vrijgestelde aansprakelijk voor de betaling van zijn wettelijke deel van de totale belastingschuld.
§3. In geval er meerdere niet-vrijgestelde houders van het zakelijk recht zijn, zijn deze eveneens hoofdelijk en ondeelbaar aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
Artikel 3 vrijstellingen
§1. Een vrijstelling van de belasting kan aangevraagd worden via beveiligde zending bij het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 5. De bewijslast ligt steeds bij de belastingschuldige en deze legt hierbij de nodige bewijsstukken voor.
§2. Van de leegstandsbelasting zijn vrijgesteld:
1° een woning of gebouw waarvan de zakelijk gerechtigde omwille van bijvoorbeeld ziekte, ongeval, leeftijd of vrijheidsberoving langdurig op een andere plaats verblijft, voor zover hij of zij de laatste in de woning gedomicilieerde bewoner is. Deze vrijstelling geldt voor twee aanslagjaren en kan slechts éénmaal toegekend worden voor hetzelfde pand;
2° een woning of gebouw waarvan de handelingsbekwaamheid van de belastingplichtige beperkt werd ingevolge een gerechtelijke beslissing. Deze vrijstelling geldt voor 2 aanslagjaren;
3° een woning of gebouw waarvan de belastingplichtige sinds minder dan één jaar zakelijk gerechtigde is, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt voor het aanslagjaar volgend op het verlijden van de authentieke akte;
De vrijstelling vermeld onder art. 3§2,3° geldt niet voor overdrachten van of aan:
4° een woning die of gebouw dat gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan of vastgelegde reservatiestrook voor weginfrastructuur;
5° een woning die of gebouw dat geen voorwerp meer kan uitmaken van een omgevingsvergunning omdat een voorlopig of definitief onteigeningsplan of reservatiestrook voor weginfrastructuur is vastgesteld;
6° een woning die of gebouw dat beschermd is als monument krachtens het decreet onroerend erfgoed d.d. 12 juli 2013 en waarvoor een restauratiepremie is goedgekeurd. Deze vrijstelling geldt voor de eerste twee aanslagjaren vanaf de goedkeuring van de aanvraag.
7° een woning die of een gebouw dat vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp. Deze vrijstelling geldt voor de eerste drie aanslagjaren, volgende op de datum van de vernieling of beschadiging.
Onder ramp dient te worden begrepen, een gebeurtenis die zich voordoet buiten de wil van de houder van het zakelijk recht en waardoor de schade zo groot is dat een normaal gebruik van het pand onmogelijk is. O.a. brand, ontploffing, verzakking, overstroming of storm kunnen hieronder vallen.
8° een woning die of gebouw dat onmogelijk daadwerkelijk gebruikt kan worden omwille van een verzegeling in het kader van een strafrechtelijk onderzoek of omwille van een expertise in het kader van een gerechtelijke procedure. Deze vrijstelling geldt voor de eerste twee aanslagen volgende op de aanvang van de onmogelijkheid tot daadwerkelijk gebruik.
9° een woning die of een gebouw dat daadwerkelijk gerenoveerd of gesloopt wordt waardoor de woning of het gebouw niet gebruikt kan worden volgens de functie :
Deze vrijstelling kan driemaal aaneensluitend met één jaar worden verlengd op voorwaarde dat:
Deze voorwaarden zijn cumulatief.
Een plaatsbezoek kan worden uitgevoerd om te controleren of de woningen, kamers of gebouwen kunnen gebruikt worden volgens hun functie.
Deze vrijstelling kan slechts éénmaal worden toegekend aan dezelfde houders van het zakelijk recht en geldt voor maximaal vier opeenvolgende aanslagjaren.
10° de woning die of het gebouw dat het voorwerp uitmaakt van een overeenkomst met het oog op renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden in de zin van artikel 3.30 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
11° de woning die of het gebouw dat het voorwerp uitmaakt van een door de gemeente, het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of een sociale woonorganisatie verkregen sociaal beheersrecht, overeenkomstig artikel 5.82 en verder van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. Deze vrijstelling geldt voor een periode van 2 aanslagjaren en neemt een aanvang op het ogenblik van de kennisgeving van de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen om de woning in sociaal beheer te nemen.
12° de woning die of het gebouw dat in eigendom is van of verhuurd wordt door een sociale woonorganisatie die afhankelijk is van de VMSW voor financiering, en wordt aangewend voor sociale huisvesting.
Hiermee wordt bedoeld, de woongelegenheden die voor de opname in het leegstandsregister zijn verhuurd volgens het kaderbesluit sociale huur en het voorwerp uitmaakt van renovatiewerken, mits de eigenaar kan aantonen ten opzichte van beoordelende instantie met het oog op renovatie het nodige te hebben gedaan voor de controledatum 1 juni van het aanslagjaar.
Deze vrijstelling geldt maximaal voor drie opeenvolgende aanslagjaren en kan ambtshalve worden toegekend.
Artikel 4 wijze van invordering en betaling
§1. Het kohier wordt opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door het College van Burgemeester en Schepenen en dit ten laatste op 30 juni van het jaar volgend op het aanslagjaar.
§2. De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet door middel van overschrijving op het vermelde rekeningnummer.
Artikel 5 geschillen en bezwaren
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het College van Burgemeester en Schepenen overeenkomstig de bepalingen voorzien in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, invordering en geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag volgend op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet verzonden werd via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van zijn verzending. Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om berichten elektronisch uit te wisselen, wordt het aanslagbiljet geacht ontvangen te zijn op het tijdstip waarop het aanslagbiljet toegankelijk wordt voor de belastingplichtige.
Bezwaarschriften kunnen via duurzame drager (e-mail) worden ingediend binnen de termijnen en onder de voorwaarden vermeld in bovenstaand lid. De contactgegevens voor het op deze wijze indienen van bezwaarschriften zijn : belastingen@spiere-helkijn.be .
Als het bezwaarschrift verzonden wordt via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van indiening van het bezwaar.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven, binnen de 15 dagen na indiening ervan.
De opname of schrapping in het register kan in dit bezwaarschrift niet meer worden betwist.
Artikel 6 inwerkingtreding en overgangsbepalingen
§1. Dit reglement aanpassingen treedt in werking op 01/01/2026.
§2. De woningen en gebouwen die op heden reeds opgenomen staan in het gemeentelijk leegstandsregister, blijven opgenomen in het register, zoals vermeld staat in de administratieve akte van leegstand en zijn onderhevig aan de bepalingen van dit reglement houdende de registratie van leegstaande woningen en gebouwen.
§3. Een afschrift van deze beslissing wordt aan de toezichthoudende overheid overgemaakt overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
§4. Dit reglement wordt bekend gemaakt overeenkomstig artikel 286 en 287 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Motivering
Overwegende dat de Vlaamse overheid een heffing oplegt op ongeschikte en/of onbewoonbare woningen en gebouwen om de woonkwaliteit te verbeteren;
Overwegende dat gemeenten op grond van hun fiscale autonomie opcentiemen mogen heffen op deze gewestelijke belasting;
Overwegende dat het heffen van opcentiemen een instrument is om lokale inkomsten te genereren en tegelijk een stimulans vormt voor eigenaars om hun panden in orde te brengen;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente en de noodzaak om het budget in evenwicht te houden;
Bevoegdheid
Gelet op de artikelen 170, § 4 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;
Gelet op artikel 40, § 3 en 41, tweede lid, 14° van het decreet over het lokaal bestuur;
Juridisch kader
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, met latere wijzigingen;
Gelet op de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, in het bijzonder artikelen 2.6.4.0.2, 3.1.0.0.4 en 3.1.0.0.6;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 houdende uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit;
Gelet op de wet van 19 april 2014 tot wijziging van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, inzake de vestiging van aanvullende belastingen op gewestbelastingen en meer bepaald de invoering van een nieuw artikel 464/1 in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;
Artikel 1 belastbaar feit en heffingstermijn
Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 ten voordele van de gemeente 100 opcentiemen geheven op de gewestelijke heffing ter bestrijding van de ongeschikte en/of onbewoonbaar verklaarde woningen en gebouwen, ingevoerd door Titel 2, Hoofdstuk 5 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
Artikel 2 belastingplichtige
De belastingplichtige is dezelfde als die van de gewestelijke heffing, zoals bepaald door de Vlaamse Codex Fiscaliteit.
Artikel 3 inning
De inning van de opcentiemen gebeurt door het Agentschap Vlaamse Belastingdienst (VLABEL), samen met de gewestelijke heffing. De opbrengst wordt doorgestort aan de gemeente Spiere-Helkijn;
Artikel 4 inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en vervangt alle voorgaande reglementen inzake opcentiemen op deze heffing.
Motivering
Overwegende dat de Vlaamse overheid een heffing oplegt op leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsgebouwen om leegstand en verval tegen te gaan;
Overwegende dat gemeenten op grond van hun fiscale autonomie opcentiemen mogen heffen op deze gewestelijke belasting;
Overwegende dat het heffen van opcentiemen een instrument is om lokale inkomsten te genereren en tegelijk een stimulans vormt voor eigenaars om hun bedrijfsgebouwen opnieuw in gebruik te nemen of te renoveren;
Bevoegdheid
Gelet op de artikelen 170, § 4 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;
Gelet op artikel 40, § 3 en 41, tweede lid, 14° van het decreet over het lokaal bestuur;
Juridisch kader
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, met latere wijzigingen;
Gelet op de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, in het bijzonder artikelen 2.6.4.0.2 en 3.1.0.0.4;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995, en latere wijzigingen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 houdende uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit;
Gelet op de wet van 19 april 2014 tot wijziging van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, inzake de vestiging van aanvullende belastingen op gewestbelastingen en meer bepaald de invoering van een nieuw artikel 464/1,2° in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;
Artikel 1 belastbaar feit en heffingstermijn
Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 ten voordele van de gemeente 100 opcentiemen geheven op de gewestelijke heffing ter bestrijding van leegstaande en verwaarloosde bedrijfsgebouwen.
Artikel 2 belastingplichtige
De belastingplichtige is dezelfde als die van de gewestelijke heffing, zoals bepaald door de Vlaamse Codex Fiscaliteit.
Artikel 3 inning
De inning van de opcentiemen gebeurt door het Agentschap Vlaamse Belastingdienst (VLABEL), samen met de gewestelijke heffing. De opbrengst wordt doorgestort aan de gemeente Spiere-Helkijn.
Artikel 4 inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026 en vervangt alle voorgaande reglementen inzake opcentiemen op deze heffing.
Motivering
Overwegende dat Vlaamse Codex Wonen van 2021 de gemeente aanstelt als coördinator en regisseur van het lokale woonbeleid;
Overwegende dat verwaarlozing de voorbode is van verkrotting: een toestand waarin woningen, gebouwen en terreinen waardeloos zijn of zelfs gevaarlijk, wat niet enkel voor de eigenaar, maar ook voor de gemeente een verarming betekent;
Overwegende dat verwaarloosde woningen, gebouwen en terreinen makkelijker het mikpunt vormen van vandalisme en vervuiling, omdat een goed waarvoor geen zorg gedragen wordt, weinig respect wekt bij passanten en buurtbewoners;
Overwegende dat verwaarlozing een gevoel van onveiligheid creëert, wat een hogere inzet van politie- en veiligheidsdiensten vraagt;
Overwegende dat verwaarloosde woningen, gebouwen en terreinen het minder aantrekkelijk maken voor andere eigenaars in de straat of in de buurt om hun woning te renoveren, te verbeteren of hun terrein te onderhouden;
Overwegende dat verwaarloosde gevels en terreinen in het straatbeeld de inspanningen van de gemeente om het openbaar domein opnieuw aan te leggen of net te houden grotendeels tenietdoen;
Overwegende dat verwaarloosde woningen en gebouwen minder of niet bruikbaar zijn voor hun functie, waardoor ze ruimte in beslag nemen zonder die optimaal te benutten, terwijl de ecologische en maatschappelijke druk om ruimte zuinig en zorgvuldig te gebruiken steeds toeneemt;
Overwegende dat het wenselijk is dat het woningen- en gebouwenbestand dat op het grondgebied van de gemeente beschikbaar is niet alleen gebruikt wordt, maar ook in goede staat blijft, omdat verwaarlozing leidt tot verloedering, wat extra taken meebrengt voor de gemeente;
Overwegende dat gemeenten op basis van Vlaamse Codex Wonen van 2021, in het bijzonder artikel 2.15 tot en met 2.20, een register van verwaarloosde woningen en gebouwen kunnen bijhouden;
Overwegende dat gemeenten een reglement kunnen aannemen om nadere materiële en procedurele regelen voor het verwaarlozingsregister te bepalen;
Overwegende dat de strijd tegen de verwaarloosde woningen, gebouwen en terreinen maar een effect zal hebben als de opname in een verwaarlozingsregister ook leidt tot een belasting;
Overwegende de vrijstellingen van belasting die in dit reglement zijn opgenomen, omdat die het best aansluiten bij de noden en het beleid van de gemeente;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Bevoegdheid
Gelet op artikel 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op artikel 40, § 3; 41,14° en 177, 2° van het Decreet over het Lokaal Bestuur;
Gelet op het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
Gelet op het bestuursdecreet van 7 december 2018;
Gelet op de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
Artikel 1 begripsomschrijvingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
1° administratie: de administratieve eenheid van [de gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband], belast met de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het register van verwaarloosde woningen en gebouwen;
2° beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijze:
een aangetekende zending;
een afgifte tegen ontvangstbewijs of elke ander door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van de kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
3° beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen.
4° gebouw: elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2, 1° van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, zoals vermeld artikel 1.3, §1, 14° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
5° houder van het zakelijk recht: de houder van één van de volgende zakelijke rechten:
6° opnamedatum: de datum waarop de woning of het gebouw opgenomen wordt in het verwaarlozingsregister;
7° verjaardag: het ogenblik waarop een nieuwe periode van twaalf maanden verstreken is sinds de opnamedatum, zolang de woning of het gebouw niet uit het verwaarlozingsregister is geschrapt;
8° verwaarlozingsregister: het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen, vermeld in artikel 2 van dit reglement;
9° woning: elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande, zoals vermeld in artikel 1.3, §1, 66° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
10° terrein : elk bebouwd en onbebouwd perceel
11° renovatienota: een gedetailleerde, gedateerde en ondertekende nota renovatiewerken conform het decreet betreffende de omgevingsvergunning
Het document dient aan te tonen welke grondige renovatiewerken zullen uitgevoerd worden aan de woning of gebouw. De uitvoering van de werken moeten een aanzienlijke werktijd vereisen en van die omvang zijn dat zij de normale bewoning van het gebouw belemmeren. Uitgesloten zijn verfraaiingswerken.
Een renovatienota bestaat minimaal uit de volgende stukken:
Artikel 2 verwaarlozingsregister
§1. De administratie houdt een register bij van verwaarloosde woningen, gebouwen en terreinen.
§2. In het verwaarlozingsregister worden de volgende gegevens opgenomen:
1° het adres van de verwaarloosde woning of het verwaarloosde gebouw of terrein,
2° de kadastrale gegevens van de verwaarloosde woning of het verwaarloosde gebouw of terrein,
3° de identiteit en het adres van alle houders van het zakelijk recht,
4° het nummer en de datum van het opnameattest,
5° de gebreken en tekenen van verval die aanleiding geven tot de opname,
6° de eventuele ligging binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan,
7° de eventuele voorbereiding van een onteigeningsplan waarbinnen de verwaarloosde woning of het verwaarloosde gebouw of terrein zich situeert.
Artikel 3 registratie/opname van verwaarlozing
§1. Het college van burgemeester en schepenen stelt de personeelsleden aan voor de opsporing van verwaarloosde woningen, gebouwen en terreinen. De onderzoeks-, controle- en vaststellingsbevoegdheden worden omschreven in het artikel 6 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
§2. Een gebouw, ongeacht of het dienst doet als woning, wordt beschouwd als verwaarloosd, wanneer het ernstige zichtbare en storende gebreken of tekenen van verval vertoont.
Als ernstige zichtbare en storende gebreken en tekenen van verval worden beschouwd de gebreken die verder verval op korte termijn in de hand werken.
Tekenen van verval en/of verwaarlozing bij woningen en gebouwen:
§3. Een terrein – bebouwd of onbebouwd – waarvan wordt vastgesteld dat het niet regelmatig (de zaaddragende vegetatie moet jaarlijks minstens één maaibeurt krijgen in de periode na 15 juni en 15 juli en het maaisel moet worden verwijderd) wordt onderhouden, overwoekerd is door ongewenste begroeiing of waarop zich groenafval of andere afvalproducten bevinden waardoor het uitzicht storend is voor de esthetiek van de omgeving of van het woon- en leefmilieu wordt beschouwd als verwaarloosd.
Tekenen van verval en/of verwaarlozing bij terreinen:
§3. De verwaarloosde woning, het gebouw of terrein wordt opgenomen in het verwaarlozingsregister aan de hand van een genummerd opnameattest waaraan minstens één foto wordt toegevoegd. Het opnameattest bevat een beschrijvend verslag met een opsomming van alle gebreken die aanleiding geven tot de opname in het verwaarlozingsregister. De datum van de vaststelling is de datum van het opnameattest en geldt eveneens als opnamedatum in het verwaarlozingsregister.
§4. Een woning die opgenomen is in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen kan eveneens opgenomen worden in het verwaarlozingsregister, en omgekeerd.
§5. Een woning die of een gebouw dat opgenomen is in het gemeentelijke leegstandsregister, kan eveneens opgenomen worden in het verwaarlozingsregister, en omgekeerd.
Artikel 4 Kennisgeving van de registratie/opname
Alle houders van het zakelijk recht, zoals bekend bij de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen, worden met een beveiligde zending in kennis gesteld van de beslissing tot opname in het verwaarlozingsregister.
De kennisgeving bevat:
1° het opnameattest met het beschrijvend verslag,
2° informatie over de gevolgen van de opname in het verwaarlozingsregister,
3° informatie over de beroepsprocedure tegen de opname in het verwaarlozingsregister,
4° informatie over het schrappingsverzoek uit het verwaarlozingsregister.
De beveiligde zending wordt gericht aan de woonplaats van de houder van het zakelijk recht. Is de woonplaats van een houder van het zakelijk recht niet bekend, dan wordt de beveiligde zending gericht aan zijn verblijfplaats. Is de verblijfplaats van een houder van het zakelijk recht niet bekend, dan wordt de beveiligde zending gericht aan het adres van de woning, het gebouw of het terrein waarop het opnameattest betrekking heeft.
Artikel 5 beroep tegen registratie
§1. Binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de datum van de beveiligde zending vermeld in artikel 4, kan een houder van het zakelijk recht bij het College van Burgemeester en Schepenen beroep aantekenen tegen de beslissing tot opname in het verwaarlozingsregister.
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en moet minimaal volgende gegevens bevatten:
1° de identiteit en het adres van de indiener,
2° de vermelding van het nummer van het opnameattest en het adres van de woning of het gebouw waarop het beroepschrift betrekking heeft,
3° de bewijsstukken die aantonen dat de opname van de woning, het gebouw of het terrein in het verwaarlozingsregister ten onrechte is gebeurd. De registratie kan betwist worden met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, uitgezonderd de eed.
Als datum van het beroepschrift geldt de datum van de beveiligde zending.
Als het beroepschrift ingediend wordt door een persoon die optreedt namens de houder van het zakelijk recht, voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
§2. De administratie stuurt aan de indiener van een beroepschrift een ontvangstbevestiging.
§3. Het beroepschrift is onontvankelijk als het niet is ingediend overeenkomstig de bepalingen in §1.
§4. Als het beroepschrift onontvankelijk is, deelt het college van burgemeester en schepenen dit onverwijld mee aan de indiener. Het indienen van een aangepast of nieuw beroep is mogelijk zolang de beroepstermijn van §1 niet verstreken is.
§5. Het college van burgemeester en schepenen onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke beroepschriften. Het onderzoek gebeurt op stukken als de feiten vatbaar zijn voor directe, eenvoudige vaststelling. Als een onderzoek op stukken niet volstaat, wordt een feitenonderzoek uitgevoerd door de met de opsporing van verwaarloosde gebouwen, woningen en terreinen belaste personeelsleden.
§6. Het college van burgemeester en schepenen doet uitspraak over het beroep en betekent zijn beslissing aan de indiener ervan binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de betekening van het beroepschrift. De uitspraak wordt per beveiligde zending betekend.
§7. Als de beslissing tot opname in het verwaarlozingsregister niet tijdig betwist wordt, of het beroep van de houder van het zakelijk recht onontvankelijk of ongegrond verklaard wordt, blijft de woning, het gebouw of het terrein opgenomen in het verwaarlozingsregister.
§8. Tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen over het beroep tegen de registratie kan binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van die beslissing een hoger beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg. Indien het college geen uitspraak doet over het beroep, of zijn uitspraak niet betekent binnen de termijn vermeld in §6, is een beroep bij de rechtbank van eerste aanleg mogelijk ten vroegste zes maanden na de datum van ontvangst van het beroep bij de gemeente. Artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
Artikel 6 schrapping uit het verwaarlozingsregister
§1. Een woning, een gebouw of een terrein wordt geschrapt uit het verwaarlozingsregister wanneer de houder van het zakelijk recht bewijst dat de ernstige zichtbare en storende gebreken en tekenen van verval die aanleiding gaven tot de opname in het verwaarlozingsregister en die zijn omschreven in het beschrijvend verslag bij het opnameattest, zoals bepaald in artikel 3, §2 en 3, hersteld zijn of verwijderd. In geval van sloop moet alle puin geruimd zijn.
De beëindiging van de staat van verwaarlozing kan aangetoond worden met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, uitgezonderd de eed. Als een onderzoek op stukken niet volstaat, wordt een feitenonderzoek uitgevoerd door de met de opsporing van verwaarloosde gebouwen, woningen en terreinen belaste personeelsleden.
§2. Voor de schrapping uit het verwaarlozingsregister richt de houder van het zakelijk recht een ondertekend en gemotiveerd verzoek aan de administratie via beveiligde zending. Dit verzoek bevat:
1° de identiteit en het adres van de indiener,
2° de vermelding van het nummer van het opnameattest en het adres van de woning of het gebouw waarop de vraag tot schrapping betrekking heeft,
3° de bewijsstukken overeenkomstig paragraaf 1 die aantonen dat de woning of het gebouw geschrapt mag worden uit het verwaarlozingsregister.
Als datum van het schrappingsverzoek geldt de datum van de beveiligde zending.
Als het verzoek ingediend wordt door een persoon die optreedt namens de houder van het zakelijk recht, voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
De administratie onderzoekt of er redenen zijn tot schrapping uit het verwaarlozingsregister en neemt een beslissing binnen een termijn van 90 dagen na de ontvangst van het verzoek. De administratie brengt de verzoeker op de hoogte van haar beslissing met een beveiligde zending. Als de kennisgeving niet is gebeurd binnen de voorziene termijn, wordt het schrappingsverzoek geacht te zijn ingewilligd.
Wordt het verzoek ingewilligd, dan wordt de woning, het gebouw of het terrein geschrapt uit het verwaarlozingsregister. De indieningsdatum van het schrappingsverzoek geldt als datum waarop de woning, het gebouw of het terrein uit het verwaarlozingsregister wordt geschrapt.
Artikel 7 beroep tegen een weigeringsbeslissing tot schrapping
§1. Binnen een termijn van 30 dagen, ingaand de dag na de betekening van het schrijven waarin de zakelijk gerechtigde in kennis gesteld werd van de beslissing tot weigering van schrapping uit verwaarlozingsregister, kan een zakelijk gerechtigde bij het College van Burgemeester en Schepenen beroep aantekenen tegen deze weigeringsbeslissing.
Als het beroepschrift wordt ingediend door een persoon die optreedt namens de zakelijk gerechtigde, moet aan het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging worden gehecht, tenzij het gaat om een raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of advocaat-stagiair.
§2. Beroep tegen de weigering tot schrapping uit het verwaarlozingsregister dient aan het College van Burgemeester en Schepenen betekend te worden door middel van een beveiligde zending. Elk binnenkomend beroepschrift tegen de weigering tot schrapping wordt geregistreerd in het verwaarlozingsregister. De ontvangst van het beroepschrift wordt gemeld aan de indiener ervan.
§3. Het College van Burgemeester en Schepenen doet uitspraak over het beroep tegen de weigering tot schrapping en betekent deze beslissing aan de indiener ervan binnen een termijn van 60 dagen, ingaand de dag na deze van de betekening van het verzoekschrift. De uitspraak wordt aan de indiener van het verzoekschrift per beveiligde zending betekend.
§4. Wanneer het beroep als gegrond wordt beschouwd, wordt het gebouw of de woning geschrapt uit het verwaarlozingsregister op datum van de aanvraag tot schrapping. Dit wordt aan de indiener van het verzoekschrift per beveiligde zending betekend.
Indien het College van Burgemeester en Schepenen geen beslissing neemt binnen de termijn, vermeld in het derde lid, wordt het beroep geacht te zijn ingewilligd
Artikel 8
Dit reglement treedt in werking op 01/01/2026. Het reglement dd. 18/12/2019 betreffende DE INVENTARISATIE en de BELASTING OP VERWAARLOOSDE WONINGEN EN GEBOUWEN ZICHTBAAR VANAF HET OPENBAAR DOMEIN vanaf 2020 wordt opgeheven.
Motivering
Overwegende dat het wenselijk is dat het op het grondgebied van de gemeente beschikbare woningen- en gebouwenbestand ook als dusdanig gebruikt worden, omdat leegstand leidt tot verloedering wat extra taken meebrengt voor de gemeente;
Overwegende dat op basis van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het Grond- en Panden gemeenten een register van leegstaande woningen en gebouwen kunnen bijhouden;
Overwegende dat de langdurige leegstand van woningen en gebouwen in de gemeente moet voorkomen en bestreden worden omdat leegstaande woningen en gebouwen leidt tot meer opdrachten voor de gemeenten;
Overwegende dat de strijd tegen de leegstaande woningen en gebouwen onder meer een effect zal hebben als de opname van dergelijke gebouwen en woningen in een leegstandsregister ook daadwerkelijk leidt tot een belasting;
Overwegende de vrijstellingen van registratie en/of belasting die in dit reglement zijn opgenomen, omdat die het best aansluiten bij de noden en het beleid van de gemeente;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Bevoegdheid
Gelet op artikel 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op artikel 40, § 3; 41,14° en 177, 2° van het Decreet over het Lokaal Bestuur;
Gelet op het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, artikel 2.2.6, met latere wijzigingen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 8 juli 2016 houdende subsidiëring van intergemeentelijke projecten ter ondersteuning van het lokaal woonbeleid, dat gemeenten oplegt om leegstaande woningen en gebouwen op te nemen in een register conform artikel 2.2.6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het Grond- en Pandenbeleid;
Gelet op het ministerieel besluit van 19 juli 2017 houdende de toekenning van een subsidie aan het project “Beter Wonen” Waregem/Anzegem/Spiere-Helkijn”;
Artikel 1 Belastbaar voorwerp en belastingtermijn
§1. Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een gemeentebelasting gevestigd op de woningen, gebouwen en terreinen die gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden opgenomen zijn in het verwaarlozingsregister.
Het verwaarlozingsregister wordt opgemaakt en bijgehouden overeenkomstig hoofdstukken I en II van onderhavig reglement.
§2. De belasting is voor het eerst verschuldigd vanaf het ogenblik dat de woning, het gebouw of het terrein gedurende twaalf opeenvolgende maanden opgenomen is in het verwaarlozingsregister.
Zolang de woning, het gebouw of het terrein niet is geschrapt uit het verwaarlozingsregister, blijft de belasting verschuldigd bij elke verjaardag van de opnamedatum.
Artikel 2 belastingschuldige - belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die gekend is als houder van het zakelijk recht op de verwaarloosde woning, het verwaarloosd gebouw of het verwaarloosde terrein op de verjaardag van de opnamedatum
Als er een recht van opstal, erfpacht of vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de houder van dat zakelijk recht van opstal, van erfpacht of van vruchtgebruik op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd wordt.
§2. In geval van mede-eigendom is elke niet-vrijgestelde mede-eigenaar belastingschuldig voor zijn wettelijk deel.
§3. In geval er meerdere niet-vrijgestelde houders van het zakelijk recht zijn, zijn deze eveneens hoofdelijk en ondeelbaar aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
Artikel 3 tarief
Het bedrag van de belasting wordt voor de eerste termijn van 12 maanden dat het gebouw, de woning of het terrein is opgenomen in het verwaarlozingsregister, vastgesteld op 1.500,00 €
Artikel 4 vrijstellingen
§1. Een vrijstelling van de belasting kan aangevraagd worden via beveiligde zending bij het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 6. De bewijslast ligt steeds bij de belastingschuldige en deze legt hierbij de nodige bewijsstukken voor.
§2. Een vrijstelling wordt verleend aan :
1° De woning, het gebouw of terrein waarvan de belastingplichtige sinds minder dan één jaar houder van het zakelijk recht is over de woning, het gebouw of het terrein, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt voor het belastingjaar dat volgt op het verlijden van de authentieke akte. Dit bewijs moet geleverd worden door het voorleggen van een attest van de notaris waaruit blijkt vanaf welke datum de belastingplichtige eigenaar is geworden of door het voorleggen van een notarisakte.
Deze vrijstelling geldt niet voor:
2° De verwaarloosde woning die volledig en uitsluitend gebruikt wordt als hoofdverblijfplaats en waarvan de zakelijk gerechtigde niet over een andere woning beschikt. De vrijstelling geldt voor drie aanslagjaren en wordt gekoppeld aan een traject waarbij de zakelijk gerechtigde geadviseerd wordt over de uit te voeren renovatiewerken teneinde de verwaarlozing weg te werken;
3° Een woning die of een gebouw dat daadwerkelijk gerenoveerd of gesloopt wordt waardoor de woning of het gebouw niet gebruikt kan worden volgens de functie :
Hetzij ingevolge een niet vervallen omgevingsvergunning, met dien verstande dat deze vrijstelling geldt voor één jaar.
Hetzij zonder dat voor de renovatie of sloop een vergunning is vereist, met dien verstande dat de vrijstelling slechts geldt voor één jaar en op voorwaarde dat een gedetailleerde, ondertekende en gedagtekende renovatienota wordt voorgelegd.
Deze vrijstelling kan drie maal aaneensluitend met één jaar worden verlengd op voorwaarde dat:
Deze voorwaarden zijn cumulatief.
Na uitputten van deze vrijstelling kan hierop geen beroep worden gedaan gedurende 10 jaar.
Een plaatsbezoek kan worden uitgevoerd om te controleren of de woningen, kamers of gebouwen kunnen gebruikt worden volgens hun functie.
4° De woning, het gebouw of het terrein waarvan de zakelijk gerechtigde de houder is van het zakelijk recht over meerdere woningen en/of gebouwen die hij of zij tegelijk wil slopen, verbouwen of renoveren om economische en praktische efficiëntieredenen. Deze vrijstelling kan ten hoogste 2 opeenvolgende belastingjaren verleend worden, voor zover de belastingplichtige een gedetailleerde planning voorlegt voor de uit te voeren sloop-, verbouwings- of renovatiewerken.
Om deze vrijstelling te vernieuwen moet de belastingplichtige in de loop van het jaar voorafgaand aan de vernieuwing mondeling of schriftelijk rapporteren over de voortgang van de voorbereidingen en de werken op het lokaal woonoverleg. Indien hij geen deel uitmaakt van het woonoverleg, wordt hij voor dit punt jaarlijks uitgenodigd. Het woonoverleg formuleert een advies voor het college van burgemeester en schepenen over de vrijstelling voor het betreffende belastingjaar. Als er geen of onvoldoende voortgang blijkt om de verwaarlozing binnen de 2 jaar weg te werken, wordt geen nieuwe vrijstelling verleend.
5° De woning, het gebouw of het terrein gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan, of geen voorwerp meer kan uitmaken van een stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning omdat een voorlopig of definitief onteigeningsplan is vastgesteld. Het bewijs wordt geleverd door een attest afgeleverd door de gemeentelijke instantie;
6° De woning, het gebouw of het terrein vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp, met dien verstande dat deze vrijstelling maximum drie opeenvolgende belastingjaren kan worden verleend, te rekenen vanaf de datum van de vernieling of beschadiging.
Onder een ramp wordt verstaan elke gebeurtenis die uiterlijk waarneembare schade veroorzaakt aan de woning of het gebouw, waardoor de bewoning van de woning of het gebruik van het gebouw geheel of ten dele onmogelijk wordt.
Artikel 5 wijze van invordering en betaling
§1. Het kohier wordt opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door het College van Burgemeester en Schepenen en dit ten laatste op 30 juni van het jaar volgend op het aanslagjaar.
§2. De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet door middel van overschrijving op het vermelde rekeningnummer.
Artikel 6 geschillen en bezwaren
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het College van Burgemeester en Schepenen overeenkomstig de bepalingen voorzien in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, invordering en geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag volgend op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet verzonden werd via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van zijn verzending. Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om berichten elektronisch uit te wisselen, wordt het aanslagbiljet geacht ontvangen te zijn op het tijdstip waarop het aanslagbiljet toegankelijk wordt voor de belastingplichtige.
Bezwaarschriften kunnen via duurzame drager (e-mail) worden ingediend binnen de termijnen en onder de voorwaarden vermeld in bovenstaand lid. De contactgegevens voor het op deze wijze indienen van bezwaarschriften zijn : belastingen@spiere-helkijn.be .
Als het bezwaarschrift verzonden wordt via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van indiening van het bezwaar.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven, binnen de 15 dagen na indiening ervan.
De opname of schrapping in het register kan in dit bezwaarschrift niet meer worden betwist.
Artikel 7 inwerkingtreding en overgangsbepalingen
§1. Dit reglement treedt in werking op 01/01/2026.
§2. De woningen en gebouwen die op heden reeds opgenomen staan in het gemeentelijk verwaarlozingsregister, blijven opgenomen in het register, zoals vermeld staat in de administratieve akte van verwaarlozing en zijn onderhevig aan de bepalingen van dit reglement houdende de registratie van verwaarloosde woningen, gebouwen en terreinen.
§3. Een afschrift van deze beslissing wordt aan de toezichthoudende overheid overgemaakt overeenkomstig artikel 330 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
§4. Dit reglement wordt bekend gemaakt overeenkomstig artikel 286 en 287 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
Artikel 8
Het reglement dd. 18/12/2019 betreffende DE INVENTARISATIE en de BELASTING OP VERWAARLOOSDE WONINGEN EN GEBOUWEN ZICHTBAAR VANAF HET OPENBAAR DOMEIN vanaf 2020 wordt opgeheven.
Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 19/12/2007 om goedkeuring te verlenen aan de bijlage bij dit besluit gevoegd ontwerp van bijlage aan de overeenkomst met de VMW en het College van Burgemeester en Schepenen te machtigen deze overeenkomst te ondertekenen: De gemeenteraad rekent de bijdrage aan voor opvang en transport (BOT) van het van abonnees afkomstige afvalwater en de vergoeding aan te rekenen aan de eigen waterwinners (VEW) als bijdrage in de kosten voor het opvangen en transporteren van huishoudelijk afvalwater die van toepassing zal zijn vanaf 1 januari 2008. De aanpassingen van de BOT/VEW worden jaarlijks automatisch aangepast aan de evolutie van de bovengemeentelijke saneringsbijdrage.
Gezien het feit dat dit met toepassing is van de maximumfactor;
Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 23/02/2024 betreffende de invulling van de gemeentelijke saneringsverplichting (in werking getreden op 18/04/2024) dat een aantal openbare dienstverplichtingen oplegt op aan de gemeentelijke rioolbeheerders;
Gelet op de vraag vanwege De Watergroep dd. 28/11/2025: In het kader van de overeenkomst betreffende de overdracht van de gemeentelijke saneringsverplichting (het saneringscontract), zijn wij verplicht om u, als rioolbeheerder, te bevragen over de saneringstarieven die u wenst toe te passen voor het kalenderjaar 2026;
Het decretaal maximaal toegelaten tarief voor de gemeentelijke bijdrage is het tarief van de bovengemeentelijke bijdrage vermenigvuldigd met een factor. Voor het jaar 2026 is deze factor 1.15. Deze is onveranderd gebleven ten opzichte van het jaar 2025;
Gelet op de betreffende artikelen van het Decreet lokaal bestuur van 22/12/2017;
Artikel 1
Om de belasting op transport (BOT) en de vergoeding eigen waterwinners (VEW) te herbevestigen voor 2026:
A) Gemeentelijke tarieven niet GV-heffingsplichtigen, aangesloten op rioleringsnetwerk, Huishoudelijk (basis tarief €/m³) en niet-huishoudelijk (vlak tarief €/m³) gebruik: maximumfactor (x 1.15)
B) Gemeentelijke tarieven GV-heffingsplichtigen = klanten met eigen waterwinning voor niet-huishoudelijk gebruik en klanten met een jaarlijks drinkwaterverbruik van minstens 500 m³ water: UNIFORM tarief o.b.v. m³ waterverbruik = vlak tarief onder A), maximumfactor (x 1.15). Géén toepassing van progressiviteit of degressiviteit in de tarieven. Géén individueel tarief o.b.v. vuilvracht.
Artikel 2
Er worden geen ecologische vrijstellingen voorzien.
Artikel 3
Om deze beslissing mee te zullen delen aan bot@dewatergroep.be .
Motivering
Gelet op de financiële toestand van de gemeente en de noodzaak om het budget in evenwicht te houden;
Bevoegdheid
Gelet op 170, § 4 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;
Gelet op artikel 40, § 3 van het decreet over het lokaal bestuur;
Gelet op de artikelen 465 tot en met 470/2 van het Wetboek van de Inkomstenbelasting 1992;
Artikel 1 belastbaar feit en heffingstermijn
Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 ten voordele van de gemeente een aanvullende belasting ten laste van de rijksinwoners die in de gemeente belastbaar zijn op 1 januari van het aanslagjaar.
Artikel 2 berekeningsgrondslag en tarief
De belasting wordt vastgesteld op 7,00% van de overeenkomstig artikel 466 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 berekende grondslag voor hetzelfde aanslagjaar. Deze belasting wordt gevestigd op basis van het inkomen dat de belastingplichtige heeft verworven in het aan het aanslagjaar voorafgaand jaar.
Artikel 3 vestiging en inning
De vestiging en inning van de gemeentelijke belasting gebeuren door het toedoen van het bestuur der directe belastingen, overeenkomstig de artikelen 466 en volgende van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.
Motivering
Gelet op de financiële toestand van de gemeente en de noodzaak om het budget in evenwicht te houden;
Bevoegdheid
Gelet op 170, § 4 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;
Gelet op artikel 40, § 3 van het decreet over het lokaal bestuur;
Gelet op artikel 2.1.4.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
Artikel 1 belastbaar feit, heffingstermijn, tarief
Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 1.400 gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing gevestigd;
Artikel 2 vestiging en inning
De vestiging en inning van de gemeentelijke belasting gebeuren door het toedoen van de Vlaamse Belastingdienst.
Gelet op de WIJZIGING meerjarenplan 2020-2025 ‘aanpassing kredieten 2025-2028’;
Gelet op de bespreking ter zake;
Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus;
Gelet op het Ministerieel Besluit van 26 juni 2018 tot vaststelling van de modellen en de nadere voorschriften van de beleidsrapporten, de rekeningenstelsels en de digitale rapportering van de beleids- en beheerscyclus;
Gelet op Omzendbrief KBBJ/ABB 2020/3 van 18/09/2020 betreffende de aanpassing van de meerjarenplannen 2020-2025 van de lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22/12/2017 en meer bepaald artikel 249 tot 259;
Artikel 1
Om de WIJZIGING Meerjarenplan 2020 – 2025 'aanpassing kredieten 2025-2028', gemeentelijk gedeelte vast te stellen met als resultaat:
IX. Beschikbaar budgettair resultaat
2020 2.002.612,00 €
2021 1.507.920,00
2022 2.178.544
2023 2.166.202
2024 1.429.439
2025 1.438.579
2026 1.431.401
2027 1.522.036
2028 1.614.459
IV. Autofinancieringsmarge
2020 466.883,00 €
2021 381.239,00
2022 74.140
2023 801.143
2024 419.285
2025 288.275
2026 49.067
2027 70.105
2028 71.482
Gelet op het ontwerp WIJZIGING meerjarenplan 2020-2025 'aanpassing kredieten 2025-2028';
Gelet op het besluit van de OCMW-raad van heden 17/12/2025 waarbij de WIJZIGING meerjarenplan 2020 – 2025 'aanpassing kredieten 2025-2028', gedeelte OCMW werd vastgesteld;
Gelet op de bespreking ter zake;
Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus;
Gelet op het Ministerieel Besluit van 26 juni 2018 tot vaststelling van de modellen en de nadere voorschriften van de beleidsrapporten, de rekeningenstelsels en de digitale rapportering van de beleids- en beheerscyclus;
Gelet op Omzendbrief KBBJ/ABB 2020/3 van 18/09/2020 betreffende de aanpassing van de meerjarenplannen 2020-2025 van de lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22/12/2017 en meer bepaald artikel 249 tot 259;
Artikel 1
Om het deel van de WIJZIGING meerjarenplan 2020-2025 'aanpassing kredieten 2025-2028' zoals vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn van heden 17/12/2025, goed te keuren. Door die goedkeuring wordt het beleidsrapport in zijn geheel geacht definitief vastgesteld te zijn.
Gelet op het geïntegreerd meerjarenplan 2026 - 2031;
Gelet op de bespreking ter zake;
Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus;
Gelet op het Ministerieel Besluit van 26 juni 2018 tot vaststelling van de modellen en de nadere voorschriften van de beleidsrapporten, de rekeningenstelsels en de digitale rapportering van de beleids- en beheerscyclus;
Gelet op Omzendbrief KBBJ/ABB 2025/1 van 18/07/2025 betreffende de strategische meerjarenplannen 2026-2031 van de lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22/12/2017 en meer bepaald artikel 249 tot 259;
Artikel 1
Om het geïntegreerd meerjarenplan 2026 - 2031, gemeentelijk gedeelte vast te stellen met als resultaat:
IX. Beschikbaar budgettair resultaat 2026 1.385.979,00 €
2027 1.724.829,00
2028 2.190.684,00
2029 2.610.889,00
2030 3.113.459,00
2031 3.715.004,00
III. Autofinancieringsmarge 2026 520.050,00 €
2027 506.765,00
2028 569.810,00
2029 570.950,00
2030 518.315,00
2031 642.290,00
Gelet op het Geïntegreerd meerjarenplan 2026 - 2031;
Gelet op het besluit van de OCMW-raad van heden 17/12/2025 waarbij het Geïntegreerd meerjarenplan 2026 - 2031, gedeelte OCMW werd vastgesteld;
Gelet op de bespreking ter zake:
Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus;
Gelet op het Ministerieel Besluit van 26 juni 2018 tot vaststelling van de modellen en de nadere voorschriften van de beleidsrapporten, de rekeningenstelsels en de digitale rapportering van de beleids- en beheerscyclus;
Gelet op Omzendbrief KBBJ/ABB 2025/1 van 18/07/2025 betreffende de strategische meerjarenplannen 2026-2031 van de lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22/12/2017 en meer bepaald artikel 249 tot 259;
Artikel 1
Om het deel van het Geïntegreerd meerjarenplan 2026 - 2031 zoals vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn van heden 17/12/2025, goed te keuren. Door die goedkeuring wordt het beleidsrapport in zijn geheel geacht definitief vastgesteld te zijn.
Aanleiding en context
In Zuid-West-Vlaanderen willen we samen zorgen voor een regio die leefbaar, gezond en aantrekkelijk is. Eigenaars, inwoners en bedrijven moeten kunnen rekenen op een omgeving waar het goed wonen, werken en ondernemen is. Een doordachte ruimtelijke ordening, zorg voor ons erfgoed en respect voor het milieu zijn daarbij belangrijke bouwstenen. Om dit mogelijk te maken, zijn er duidelijke afspraken nodig. Die afspraken worden vastgelegd in plannen en vergunningen. Handhaving is het sluitstuk en
zorgt ervoor dat deze afspraken ook nageleefd worden. Zo krijgen vergunningen hun echte waarde en kan iedereen erop vertrouwen dat regels voor iedereen gelijk zijn.
De afgelopen jaren werd in regio Zuid-West-Vlaanderen reeds ingezet op omgevingshandhaving. Een aantal van de lokale besturen in regio Zuid-West-Vlaanderen doet voor handhaving beroep op Leiedal. Ook in Spiere-Helkijn wordt er reeds vandaag op Leiedal hiervoor beroep gedaan.
Via het regionaal handhavingskader wenst Leiedal de ondersteuning binnen handhaving door Leiedal samen met de betrokken lokale besturen verder te optimaliseren.
Motivering
Met dit handhavingskader wordt vastgelegd hoe we de komende jaren te werk gaan, welke prioriteiten we stellen, hoe we overtredingen opvolgen en hoe we samenwerken met verschillende partners. Dit biedt heel wat voordelen. Overtredingen binnen ruimtelijke ordening, erfgoed of milieu hebben vaak gevolgen die verder reiken dan één gemeente. Door samen te werken op regionaal niveau versterken we ook de slagkracht en zorgen we voor meer duidelijkheid naar eigenaars, inwoners en bedrijven. De afspraken binnen het kader zorgen er ook voor dat de ondersteuning voor handhaving vanuit Leiedal heel transparant, consequent en eerlijk gebeurt en niet afhankelijk is van de gemeente of politiezone
waarin de overtreding gebeurt. Daarnaast kan er op basis van het kader door Leiedal efficiënter worden gewerkt doordat er een snelle screening van dossiers kan gebeuren op basis van de vooropgestelde prioriteiten waardoor de tijdsbesteding binnen handhaving naar de juiste dossiers gaat.
Het handhavingskader werd opgemaakt vanuit de praktijkervaring die is opgebouwd binnen Leiedal. Het kader geldt voor een periode van zes jaar voor de lokale besturen die voor handhaving een beroep doen op Leiedal maar blijft flexibel. In zes jaar kan er heel wat veranderen en dit zowel op vlak van uitdagingen als op vlak van wetgeving. Indien noodzakelijk wordt het kader aangepast. Deze aanpassing gebeurt telkens in overleg met de betrokken lokale besturen.
Het handhavingskader bevat een lijst van prioriteiten, opgedeeld in drie grote onderdelen: ruimtelijke ordening, onroerend erfgoed en milieu. De prioriteiten zijn thematisch gerangschikt per onderdeel. Ze bundelen zowel de aandachtspunten van het Vlaams Gewest en het parket als bijkomende regionale thema’s. Deze lijst kwam tot stand in samenspraak met de betrokken ambtenaren en bevoegde schepen/burgemeester. De prioriteitenlijst moet door de gemeenteraad worden goedgekeurd.
Verder bevat het kader ook de workflow die een handhavingsdossier doorloopt binnen de ondersteuning handhaving door Leiedal. Het uitgangspunt is om eerst zachte handhaving toe te passen, met aandacht voor duidelijke communicatie en het zoeken naar herstel. Pas wanneer dit niet lukt, worden zwaardere handhavingsinstrumenten ingezet.
Tot slot wordt ook verduidelijkt hoe de samenwerking verloopt met andere (handhavings)actoren.
De samenwerking rond omgevingshandhaving is verankerd in volgende regelgeving:
Artikel 1
De gemeenteraad keurt het Regionaal Handhavingskader Leiedal 2026-2031 goed.
De voorzitter sluit de zitting op 17/12/2025 om 21:00.
Namens Gemeenteraad,
Tim Focquaert
Waarnemend Algemeen Directeur
Mathias Goos
Burgemeester - Voorzitter